Onderbroek van drie maanden geleden

Het goede voornemen van dit jaar was om af en toe met de buren op café te gaan. Vandaag is de eerste beurt, we gaan naar een café in Villecomtal. God ja, dat is geen echte pub, zei Mike, waarop we onze cafégeschiedenis kort probeerden samen te vatten. Het is eigenlijk de eerste keer dat we echt op café gaan sinds we in Frankrijk wonen. Niet gemist overigens, na tien jaren overdaad in het Leuvense.

Benieuwd zijn we wel, want Zuid-Frankrijk heeft alles behalve een cafécultuur. Als er volk is, blijven we soms wel tot twee uur open, zei de uitbater. Twee uur. Dat is het uur waarop we, na het indrinken, vroeger de echte kroegentocht op gang trokken. Als het meevalt, gaan we dit misschien maandelijks doen. Mààndelijks op café. Mijn leven is zo spannend als de onderbroek van drie maanden geleden rond BDW’s nieuwe postuur.

Take in the sights and drown in our senses

Gisteren was zo’n dag waarvoor we naar hier zijn gekomen, zo’n dag die ons oude leven niet had toegelaten. We werkten in de tuin, zij in dikke fleece en ik in t-shirt – als de zon schijnt is het hier snel warm, onder het terras over de middag zelfs een graad of twintig. We snoeiden de grote appelboom en de vijgenbomen, we dronken huisgemaakte gemberthee, we maakten plannen voor de uitbreiding van de moestuin.

Zij stelde voor om een hangbuikzwijntje te kopen en ik stelde voor om schapen te nemen, als compromis denken we er over de kippen aan te sporen voor een nageslacht te zorgen. De haan is de laatste tijd nogal dik met de zwarte kiek, volgens haar hebben die twee een affaire.

Ik had nog aan gedichtendag willen denken maar toen zaten mijn gedachten dicht.

Toerisme in de Gers en wij

Correct en volledig waren de antwoorden van de meneer van de Kamer voor Toerisme in Auch. We kregen alle informatie die we nodig hebben over veiligheidsvoorschriften, over de gepaste bedrijfsvorm, over publiciteit en de mogelijkheden van aansluiting bij een erkende organisatie.

Toch schemerde door dat het nu ook weer niet zo bijster interessant is voor het departement, een eenvoudige chambre d’hôtes met drie kamers en gedeeld sanitair. ‘De standaard is tegenwoordig echt wel dat een kamer eigen sanitair heeft.’

‘Dat weten we,’ zei mijn vrouw. ‘Maar wij willen het oorspronkelijke concept: een kamer in een huis waar je samenleeft met een aantal mensen. De chambre d’hôtes die u als standaard neemt, zijn vaak luxehotels die onder een andere naam opereren. Die kosten een stuk meer dan wat wij vragen.’

Het is ook wat de wetgeving omschrijft: een bed en ontbijt. Geen zwembad, geen sauna, geen wellness. Geen ober aan tafel, geen kok in de keuken. Gewoon wij, in ons huis, met onze levensvisie. De man bleek er zowaar de charme van in te zien. ‘Convivialité,’ glimlachte hij. ‘En eenvoud.’

Ik legde uit dat we ook nog een ander plan hebben. In verband met fietstoerisme. Zonder het hier verder uit de doeken te doen: we zijn uitgenodigd op een bijeenkomst van de Kamer voor Toerisme, begin april in Samatan. ‘Waar de Tourrit van start gaat,’ zei ik. De man legde uit dat het wielrennen een belangrijke plaats zou innemen tijdens de bijeenkomst.

‘En de etappe?’ vroeg ik. ‘Is het al geweten waar die zoal passeert?’ Langs mijn neus weg, alsof het niet de meest belangrijke gebeurtenis sinds negen elf zou zijn. ‘Dat komt ook aan bod,’ zei de man. Met enig geluk, lek ik hier dus begin april een minuscuul stukje van het definitieve Tourparcours 2012, namelijk de kilometer die het dichtste bij ons thuis zal passeren.

Bodemnoodzakelijkheid

Ik schrijf elke ochtend tot de zon opkomt, gewoonlijk heb ik er dan anderhalf uur opzitten. Daarna laat ik de kippen buiten, breng de eieren binnen en ik zaag vier blokken hout in twee met een handzaag en maak het vuur aan. Het heeft iets romantisch, vind ik zelf, en moest ik niet zo gruwen van het woord zou ik het zelfs voor authentiek durven verslijten.

Maar uiteindelijk is het enkel primair. Bodemnoodzakelijkheid. Niet meer dan dat. De techniek van het vuur aanmaken wordt elke dag beter, er is minder rookontwikkeling en er komen geen gasbranders meer aan te pas. Soms blijf ik een kwartiertje staren naar de vlammen, hoe ze de houtblokken likken en langzaam versmachten en aanvreten.

Wanneer mijn vrouw opstaat is het reeds warm in de living en ruikt het huis een beetje naar kampvuur, zoals in de winter eigenlijk het hele dorp een beetje naar kampvuur ruikt. Wanneer ik ga lopen, ben ik zo op de geur gefocust dat ik buiten adem geraak en kortsluitingen zich voordoen in mijn hersenen. Dan is het weer tijd om even te schrijven.

De hoogste diepvriezen van het Ötztal

Laatst vertelde mijn moeder me dat het niet helpt dat ik voortdurend lig af te geven op officiële instanties. Het helpt de dingen namelijk niet vooruit. Probleem is echter dat niet afgeven op officiële instanties de zaken evenmin vooruit helpt. En als het dan toch allemaal niet uitmaakt, is het gewoon veel leuker om toch maar af te geven op officiële instanties.

Neem nu dat hele gedoe met die diploma’s. Mijn leraarsdiploma is in Frankrijk waardeloos, daar heb ik me al een tijdje bij neergelegd. Het diploma van mijn vrouw, bachelor in de Orthopedagogie, is dat echter niet. Een valorisatie van haar diploma betekent dat ze beter betaald wordt – nu krijgt ze gewoon de smic, het wettelijk vastgestelde minimumloon, voor onregelmatige vervangingen op onregelmatige uren.

Vorige week in Auch kregen we wat informatie en een telefoonnummer, wat ons, smaldenkende plebejers, zeer tevreden stelde. Het telefoonnummer behoorde toe aan een onwetende mevrouw die ons een ander nummer gaf dat aan een mevrouw toebehoorde die op vakantie bleek. Zij zou verantwoordelijk zijn voor de valorisatie van beroepen in de sociale sector. Het diploma van mijn vrouw zou in principe gelijkgesteld zijn aan dat van éducatrice spécialisée, een diploma waar best wel vraag naar is.

Vandaag belde ik de dame in kwestie op. Ze verwees me onmiddellijk door naar een andere dame, die me weer doorverwees naar een andere dame. Deze laatste wist me te vertellen dat er geen overeenkomst is om Belgische Hoger Onderwijsdiploma’s in de sociale sector te erkennen. Ik vroeg wat we dan konden doen.

‘Je kan je diploma aan de werkgever tonen met de vraag dit te erkennen.’ Ik zei, behoorlijk geïrriteerd, dat drie jaren Hoger Onderwijs dus eigenlijk waardeloos zijn. Dat begreep ze niet goed. Ik zei, ‘Een werkgever heeft er toch geen enkel belang bij haar diploma te erkennen? Dat betekent enkel dat hij haar meer moet betalen voor hetzelfde werk.’ Dat bleek ze, tegen de verwachtingen in, wel te begrijpen.

Ik vroeg of het dan zinvol was de ENIC-NARIC te contacteren. Weer maar een niveau hoger. In Auch zaten we immers bij de departementale dienst, zij zit op de regionale dienst in Toulouse, de volgende stap is de nationale in Parijs. Ze bleek van die nationale dienst nog niet gehoord te hebben. ‘Wat zit gij daar dan in godsnaam te doen,’ dacht ik. Maar dat zeg je niet.

Dus ja, boos. Opnieuw enorm boos. Een mens zou toch met plezier gewoon niets meer in orde maken, geen identiteitspapieren en geen belastingformulieren, geen bouwaanvragen of geen mutualiteitspapieren, niets meer. Gewoon je goesting doen en je van geen regels iets aantrekken.

Er is maar één zekerheid: het gaat ons weer een smak geld kosten en vermoedelijk een hoop tijd om al die onzin geregeld te krijgen. De Europese eenmaking, die is toch gewoon ergens voor eeuwig ingesneeuwd in de hoogste diepvriezen van het Ötztal?

Bloed op de dansvloer

Wist ik veel wat het betekende om vier stères hout te bestellen. Ongeveer vier kubieke meter, in theorie weet ik wel hoe het er uit ziet. Bij levering bleek dat dus behoorlijk tegen te vallen, in die zin dat het meevalt. Het is immers meer hout dan ik verwacht had. Maar ook een pak meer werk om te verzagen, te klieven en te stapelen. Ruim een ton hout ligt er dus, een deeltje onder het terras en een ander deel op een van de twee opritten.

Ik begon er met goede moed aan, het sorteren van het hout, wegrijden en stapelen. Maar een einde kwam er dus niet aan. Voor het verzagen moest ik nog beroep doen op mijn handzaag en een portie engelengeduld en dat laatste ontbrak. Als een dolleman probeerde ik het half doorgezaagde hout – het hout is half doorgezaagd, niet half (1- “half doorgezaagd”) – in twee te slaan of met een korte stoot van de snoeischaar …

Twee vingertoppen gehavend, bloed op de dansvloer. Als een Django Bloghardt rammel ik op de toetsen. Mijn gedachten zijn weg voor mijn wijsvinger de toetsen heeft gevonden. Tijd voor bier.

Adminicastratie

We stonden al een minuut of twintig te wachten in het gemeentehuis. Op het raam hing een papier waarop de nieuw geregistreerde kiezers stonden. Wij stonden er ook bij. Ik zei, ik denk dat het de burgemeester is binnen. Mijn vrouw vroeg of ik dan zijn stem herkend had, maar dat was het niet. Hij praat als een burgemeester, zei ik.

Even later liet de burgemeester ons binnen. Hij vroeg wat er aan de hand was. We wilden de papieren voor onze chambre d’hôtes in orde brengen. Volgens de wetgeving moeten we een toelating van de gemeente hebben. Dat was op een minuut of twee geflikt.

Daarna vroeg ik naar de regelgeving om een half open tuinhuisje te bouwen, hoe ver je van de scheiding moet bouwen en dergelijke. Ahum. Daar gaan dan zeven papieren over, alles moet tot op de halve meter gedocumenteerd worden, voorzien van tekeningen en foto’s en de gemeente neemt een maand dossiertijd in acht.

Soms begrijp ik er toch echt niet veel van. De administratie waarvan je schrik hebt, bijt niet, maar je schrikt enorm van die waarin je je vastbijt.

Le téléphone pleure

Ik en de telefoon, dat zal nooit een goed huwelijk worden. Maar er moest gebeld worden om hout te bestellen voor onze kersvers geïnstalleerde houtkachel. Ik kreeg een mevrouw aan de lijn, een luid roepende, slecht verstaanbare mevrouw. Na even heen en weer roepen, spraken we af dat haar man me zou terugbellen.

De telefoon rinkelde en ik nam op. Ik zei, ‘Bonsoir,’ maar het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ik probeerde nog het stukje karton te zoeken waarop ik zijn naam had geschreven, maar zei ten slotte, ‘Je vous ai appelé pour commander quelques stères de bois.’

Een bijzonder verwarrend gesprek volgde, waarbij de man vragen stelde en mijn antwoorden niet bleek te registreren en ik vragen stelde waarop geen antwoord kwam. Ik zei, ‘C’est la maison de Boisvert,’ en hij zei iets van, ‘Oh, là au croisement.’

Als ik het een beetje begrepen heb, wordt dit weekend een hoop hout geleverd, eik en kastanje, maar het zou me niet verbazen als het een eiken tafel en een oude vrouw met kastanjebruine haren blijken te zijn. In beide gevallen zal de kliefhamer van pas komen.