“Kijk, sommige mensen zijn gemaakt voor het geluk, sommige voor het ongeluk. Ik denk dat jij tot de tweede behoort,” zo wist Oli mij te vertellen na de val. Je kan geen twintig zijn op suikerheuvel. Je kan niet zonder brokken naar Namen, ook niet over de Ravel, ook niet met de Stoempers. Het was fris, te fris voor mijn optimistische korte mouwtjes. Te mistig om ten volle te genieten van de prachtige velden in Zetrud-Lumay, te modderig om over kasseiwegjes naar Hoegaarden te bollen.
Nog voor Hoegaarden overviel de wet van Van Petegem mij: kasseien bergop doen altijd hun werk. In die zin dat ik boven in een bocht op mijn doos ging, met een verstuikte pols en wat velverlies tot gevolg. Even later reed Dieter lek en gleed vervolgens voor we goed en wel in Jodoigne waren onderuit met een geschaafde dij, open handpalmen en een gescheurd koerstenueke als gevolg.
Een beetje karakter misstaat niet en vrouwen vallen op littekens, zo is het toch? We reden dus maar door naar Namen om daar iets niet-alcoholisch te drinken, wat te eten en de zwaarste wonden te verzorgen. In de Waalse farmacie werden we als kleine prinsjes behandeld. Heb ik van horen zeggen. In ieder geval waren we voldoende hersteld om de terugweg aan te vatten, die start met een fijn vals plat van een paar kilometer en een wind die een beetje schuin op schouders zeurt. Ik besluit lek te rijden.
We gaan voorbij de 100 kilometergrens en ik kan mij niet bedwingen. Als een ware Heinrich Haussler – irritant en dom – moet ik mijn goede benen laten zien en een paar keer fors doortrekken. Na de Ravel is het beste er wel af maar dat belet ons niet om nog een paar keer de benen te strekken en in Haasrode nog een kilometertje met de grens van 50 km/u te flirten. Uiteindelijk rijden we dik viereneenhalf uur op de volle 130 kilometer. En nu terug naar de studie, want op een goddelijke ingeving hoeven zelfs de ongelukkigen niet te rekenen.
Lezersbriefjes