In de zomer van 2009 wandelde ik als pelgrim van Rome naar Santiago de Compostela (78 dagen), en zelfs nog een stukje verder naar Muxia en Finistera. Het reisdagboek van deze tocht is nu te koop!
Surf naar: http://www.mijnbestseller.nl/magento/de-jongen-die-in-rome-vertrok2.html
Korte screenshots van onderweg zijn beschikbaar in de verzameling blogpostjes die ik tijdens de tocht zelf schreef. Deze zijn weliswaar nauwelijks gebruikt voor het boek …
Alle wegen leiden naar Rome (behalve de SS Cassia)
Geschreven op 1 juli 2009
Roma-Viterbo
Italianen zijn geen voetvolk, dat is een eufemisme zoals Jacky Lafon wordt geen voorzitter van Mensa. De eerste dagen zijn moeilijk geweest. De wegmarkeringen lijken nergens op, alle kleine wegjes lopen dood. Je vertrekt dan op een wegje naar NO en na een paar kilometer loop je ZW. En nog een paar kilometer verder dood. Ik heb geprobeerd door velden te gaan en sliep de eerste nacht in een gigantisch onweer even voorbij La Storta. De tweede dag kwam ik na een kilometer of twintig in … La Storta. Daar ontmoette ik Juan, een veertigjarig Spaans kind op weg naar Compostela dat stempels verzamelt. We spreken Spaans want mijn Spaans is beter dan zijn Engels.

Juan is bereid voortdurend langs de SS Cassia te wandelen om zijn doel te bereiken. Dat is een expressweg genre Koning Boudewijnlaan. Ik houd nog iets meer vast aan het leven en ga steeds op zoek naar kleine weggetjes. We komen bijna gelijk aan in Campagnano en wachten aan de kerk op Padre Lorenzo, die voor ons onderdak en een verse pizza regelt voor een vrijwillige bijdrage. Juan belt die avond een uur met zijn vriendin, hij wil de volgende dag al naar Viterbo (45 km langs de Cassia). Ik vind een brief in mijn schriftje waar ik dolgelukkig mee ben.
We vertrekken gelijktijdig, maar ik sla al snel een wegje in, aangeduid met de routesignalen. Na een kilometer of vijf loopt dat echter dood, dus ga ik op goed geluk een andere weg af, die uiteindelijk terug richting Rome leidt en langs een meer komt. Ik zet mijn tent op een camping en ga wat zwemmen. ‘s Avonds heb ik net mijn dunne biefstuk op als Bernard, een Oostendse vijftiger, met zijn tent langs mij komt staan. Hij heeft de Paul Benjaminse reis naar Rome met de fiets afgewerkt en gaat morgen terug naar huis. Ik kikker op van een gesprek over cols in Zwitserland en de Dolomieten, over prachtige campings.
Ik had getwijfeld om de trein te nemen naar Viterbo, maar laat me door een Engelsman in Trevignano toch overtuigen om te voet naar Sutri te gaan. Hij krijgt geen ongelijk, het is een prachtig verkeersluw weggetje door de bergen en olijfgaarden. In Sutri zet ik mij op een dorpsplein, ik eet wat en verzorg mijn voeten. Ik geraak aan de plaats met de lokale hangouderen. Eentje vertelt me over de geschiedenis van de streek, Sutri dateert van 500 AD. Hij raadt me aan via Ronciglione om te stappen naar Viterbo om de Cassia te vermijden. hij toont foto’s van zichzelf in de vroege jaren ’60, met een paard in een optocht en met een Fiat. Ik besluit zijn advies te volgen en zo kom ik opnieuw op prachtige wegen. Ik slaap in een wijngaard aan het Lago di Vico, onder de blote hemel in mijn slaapzak want het is prachtig weer.
Aan de kerk van Viterbo ben ik net een Oost-Duitse kerel van mijn leeftijd tegengekomen op weg van Canterbury naar Rome. Hij zwerft al een paar jaar van pelgrimstocht naar pelgrimstocht en vertelt over de hete thermen die even boven Viterbo liggen. Daar stap ik vandaag nog naartoe, morgen zien we wel weer. Ik stap vlot tussen de 30 en 45 km per dag, dus als we dat nu ook eens in de juiste richting gaan doen, komt het allemaal wel weer goed. De eerste dagen zijn zwaar geweest, maar de ontmoetingen onderweg en de brief met aanmoedigingen brengen mij er steeds bovenop.
De theorie over de weg vragen aan Italianen
Geschreven op 3 juli
Ik moet wel eens in mijn beste Italiaans de weg vragen aan mensen en ik heb besloten dat enkel te doen bij mannen tussen 40 en 55 jaar. Ik heb een kaartenboek met kaarten die nogal moeilijk lezen als je ze voor het eerst ziet. De clichés over vrouwen en kaartlezen wil ik zelfs niet bovenhalen. Jonge vrouwen gaan van mij lopen omdat ik ongeschoren ben en een beetje stink. Oude vrouwen kijken niet naar de kaart maar vragen mij uit over “la mama” en of zij niet heel ongerust is als ze niet weet waar ik slaap. Geen vrouwen dus.
Jonge mannen willen te snel gaan en nemen niet de moeite om de kaart onder de knie te krijgen. Oude mannen zien een plaatsnaam en beginnen de halve geschiedenis van die plaats te vertellen. Allemaal mooi, maar hoe meer ik er op wijs dat ik niet zo goed Italiaans versta, hoe meer ze zich uitputten in details en hoe langer ik sta of zit te schilderen. Mannen tussen 40 en 55 zitten op hun gemak in een bar, nemen de tijd om de kaart te bestuderen, leggen hem voor aan kameraden om te beslissen welke weg de beste is en als ze na veel gesticuleren het ideale voorstel hebben, lopen ze een eindje mee naar buiten om je de weg zelf aan te wijzen. Ze wensen je een goede reis en daar ga je! Ze knoeien misschien met conserven, maar vriendelijk zijn ze wel, die Italianen.
De adelaar van Toscane
Geschreven op 3 juli
Er zijn drie termen in de buurt van Viterbo. Aan de termi dei Papi (of zoiets) was het gezellig maar daar moest ik niet zijn. In de bulligame ging ik even bubbelen, die dingen zijn 50 graden of zo, maar ook daar kon ik de weg niet vinden. En dus ging ik maar terug naar Viterbo, met een kilometer of vijftien extra in de poten, en kocht mij het Italiaanse boekje over de Via Francigena. Milow was op de Italiaane televisie met Ayo Technology. Ik werd daar wat te enthousiast van en dus vrees ik dat ik Milow homo gemaakt heb in de Grote Laars met mijn geblabla – misschien is het wel goed voor zijn carrière. Uiteindelijk wees men mij opnieuw de weg naar de bulligame, dus legde ik daar tegenover mijn versgekochte kaarten uit het boekje voor aan de wachten van dienst. Die wezen mij uiteindelijk de juiste termen, een kilometer of vijf verderop. Daar nam ik maar terug een bad, terwijl het een paar kilometer verder boven Viterbo lekker onweerde.
Eindelijk de juiste route gevonden, vorder ik snel. Ik heb een paar nachten buiten in de velden geslapen en vandaag kijk ik vanuit het prachtige adelaarsnest Radicofani uit op de Toscaanse vlakten. De weg naar boven was afschuwelijk zwaar maar tegelijk ook zo grandioos mooi. Ik heb mij zo’n stempelkaartje gevraagd aan de oude man die het pelgrimshuis uitbaat. De eerste stempel is binnen, mama Anna is een pata aan het koken en mijn was hangt te drogen uit het venster van de tweede verdieping. Mijn broek die lekker zat toen ik vertrok, valt van mijn kont dus probeer ik wat vaker een ijsje of een stuk pizza op te pikken in een bar. Ik drink van die 3 cl koffietjes om mijn stoelgang een beetje op pijl te houden en eet ’s middags gewoonlijk wat brood met mortadella en kaas. Ik zeul te veel gerief mee, dus ga ik waarschijnlijk mijn vuurtje achterlaten – het vuurtje kost minder dan de verzendkosten naar thuis en ik gebruik het ding toch nauwelijks. De route tot Massa, nog een kleine 250 km, ligt vast. Daarna zal het zoeken zijn naar routes, maar dat zijn zorgen voor dan.
De Heer zalft en slaat …
Geschreven op 4 juli
Iedereen die ik tegenkom is naar iets op zoek en loopt vol verwachtingen. Ze willen antwoorden op vragen, van zichzelf of van God, ze zoeken zichzelf. Ik wilde enkel de romantiek van de lonesome traveller ervaren. Ik verwacht geen mystiek maar rondom mij zie ik dingen die mij enorm raken. De dankbaarheid die sprak uit de ogen en de woorden van Giuliano gisteren aan tafel, oprechte dank dat hij en zijn vrouw Anna vreemden mogen aanvaarden aan hun tafel. De vaderlijke kracht die hij, ondanks zijn pijnlijke rug, in de omhelzing stak om mij een goede reis te wensen, als een vader die een zoon de wijde wereld instuurt. De nederigheid van mama Anna, die aanvaardt wat de Heer van haar vraagt en neemt, zoals ze het zelf zegt. Ik zou kunnen wenen bij de goedheid van deze mensen maar weet dat ik hen beter wat meer tot voorbeeld zou nemen. Ik zocht niet en toch worden dingen mij toegeworpen. (Amen)
En nu even iets compleet anders, vunzig en vettig … Tijdens mijn laatste kilometers naar een rustplaats, kreeg ik een lift van een Italiaan. Blijkt gay as fuck en vindt mij wel leuk. Nodigt mij uit op restaurant waar hij kok is, belooft mij een aparte slaapkamer in zijn huis en een lift naar mijn rustplaats morgenvroeg. Ik zeg dus nooit nee tegen gratis eten en zit nu wat met een vreemde situatie. Als jullie binnen een paar dagen niets van mij gehoord hebben, contacteer dan toch maar de roze baletten om te vragen waar ik uithang. Wat een gedoe toch …
Wandelen is gemakkelijker dan vliegen
Geschreven op 5 juli
Radicofani – Siena
De laatste dagen loop ik van de veertig kilometer gewoonlijk al een vijfendertigtal in de juiste richting. Dat scheelt een pak als je uiteindelijk ergens wil geraken. Maar jullie willen natuurlijk horen hoe het met de gaylord is gegaan. Ik heb gratis gegeten in een schitterend restaurant, heb geslapen in een eigen slaapkamer in een prachtig, maar een beetje vervallen landhuis op een Toscaanse heuvel en ben deze morgen zonder problemen op de gewenste plaats kunnen vertrekken.
Toen Ginero (of zoiets) merkte dat de homo-act mij behoorlijk koud liet, veranderde hij plots in een interessante kerel, we babbelden over relaties en politiek en over wat iemand in het leven kan verlangen. Hij had vijftien jaar een bloemenwinkel in Rome, verkocht die voor veel geld dat hij op een paar jaar tijd verbraste in Londen en Australie. We aten brood met kaas en dronken goede whisky. Hij denkt nu wel dat ik bijna getrouwd ben en verlang naar kinderen – ik moest hem zo snel mogelijk overtuigen dat ik niet in zijn spelletjes wilde meegaan – maar dat is meer een white lie.
Het weer is een beetje wispelturig geworden. Het is afschuwelijk warm, bewolkt met stortbuien en dan een brandende zon die het water zo snel verdampt dat je in een stoombad lijkt te wandelen. Met de geur van verse kruiden in de velden is dat overigens helemaal het geval. In Siena slaap ik bij de zusters van Maria weet-ik-wat. Ik kom net uit bad en heb dadelijk voor het eerst in mijn leven een etentje met een vijftigtal maagden. In andere godsdiensten moet je daar eerst vlieglessen voor nemen, in het christendom moet je enkel wat rondwandelen en stinken. Pelgrim zijn is veel gemakkelijker dan terrorist.
Toon mij een pelgrim en ik toon jou een leugenaar!
Geschreven op 8 juli
Siena – Altopascio
Mijn Jezus, wat is er veel gebeurd! Behalve dan dat etentje met de maagden van Siena, want pelgrims eten apart. Dat kwam de ubercoole Suor Ginette (67 jaar) nog even melden toen ze op haar step door het klooster raasde om mij een flesje schuimwijn aan te bieden. Dus keek ik maar wat Italiaanse filmpjes op youtube met de vrijwilligers van het klooster over hoe vrouwen ondergeschikt moeten zijn aan mannen. De volgende dag verdwaalde ik volledig in Siena en moest een kaart kopen om er op de juiste plaats uit te geraken. Ik besloot dan maar een lange dag te stappen naar het veertig kilometer verderop gelegen adelaarsnest San Gimignano.
Dat ligt dus op een berg die behoorlijk in de kuiten bijt na meer dan veertig kilometer stappen – dank u doolhof Siena. Onderweg naar boven greep de schrik mij al om het hart toen ik vooral Nederlandse, Engelse en Belgische nummerplaten omhoog zag klauteren. Dat is dus een prachtig stadje, maar vergeven van de opgefokte Johns en geairbrushte Anita’s. Om tien over zeven stortte ik in voor de poorten van de stad en wachtte een half uurtje om binnen te gaan. Daardoor klopte ik eigenlijk net op etenstijd aan bij het klooster van de Franciscanen, waar ik via de parlefoon al een beetje werd afgeblaft. Op het prachtige binnenplein kwam een nerveuze godsdienaar op me af, blafte me zowel in het Engels als het Italiaans af. Hij had een bewijs nodig dat ik een echte pelgrim ben. “I need a letter from your PRIEST or your BISHOP stating that you are a PILGRIM!” riep de man over Toscane uit.
Die had ik niet. Wel een portie nederigheid, dat ik wel kon wachten tot na het eten … Intussen haal ik mijn credenziale uit. Okee, ik kreeg een kamer en mocht volgen. De man rende weg, ik nam in zeven haasten mijn rugzak, stokken en camelbak en spurtte achter hem het klooster in. Hij was uit beeld dus verdwaalde ik in gangen en prachtige zalen … Hey pilgrim, hoor ik in de verte – Suor Ginette noemde mij vanaf dat ze mijn credenziale had gezien Herman. Ik kreeg een mooi kamertje waar het verschrikkelijk stil was. In de gang had je uitzicht over half Toscane. Voor de eerste keer kreeg ik geen maaltijd aangeboden, dus ging ik nog even de stad in om een pizza en een ijsje naar binnen te werken. Tot zover mijn inwijding in het klooster: behandeld als een crimineel.
De volgende dag zou weer zwaar worden, en dus ging ik met tegenzin onderweg. Na een paar kilometer stopt echter een man met de wagen die me uitnodigt om over een paar kilometer te stoppen, het huis zou ik wel vinden. Een klein uurtje verder kom ik aan een huis waar de pelgrimsymbolen aan de deur hangen op een plaatje en ga binnen. Mario is net zijn kleindochter de papfles aan het geven. Ik krijg koffie en Toscaanse koekjes. We praten over politiek en over koningin Paola, die in het volgende dorpje bij haar nonkel de vakanties uit haar jeugd sleet als plaatselijke babe. Na een uurtje zet ik mij terug op weg – ik kom zeker tien andere pelgrims tegen.
Het is een lange en zware dag door de natuur onder een loden zon. Ik drink als een paard maar zweet als twee ezels: zelfs vier camelbaks (ongeveer zes liter) zijn maar nipt. Uiteindelijk breek ik bijna mijn poten op de laatste klim naar het klooster van San Miniato, na 45 km. Ik bel aan en krijg een lange tirade en daarna een korte: no posta, ga maar op een ander en trek uw plan. Ik zweer dat Gods dienaar een grijnslach had toen hij het zei. Ik twijfel om mij op de trappen van het klooster te slapen te leggen, maar na een kwartiertje besluit ik toch naar het volgende dorp te gaan en aan te kloppen bij de Misericordia. Ik krijg een bed in een soort asielopvang. Mijn voeten spatten bijna uit elkaar en ik kan niet staan, zitten of liggen. Het duurt lang voor ik echt de slaap vat, maar de deur dichtdoen kon er niet meer vanaf. Ik slaap dus met de deur open en de sleutel er nog op.
Vandaag wilde ik er dan een kort dagje van maken, maar de wegbeschrijving beslist er anders over. Gelukkig doen mijn voeten een pak minder zeer zodat ik de 35 km naar Altopascio zonder veel problemen afwerk. De bibliotheek verzorgt hier de opvang van pelgrims en ik heb net een douche genomen met mijn stapkleren aan. Zelden zag ik zo’n zwart water, ik zwem nochtans elk jaar in de Damse vaart. Ik heb een halve kilo vers roomijs binnen en zoek dadelijk nog een restaurantje. Tussendoor nog even de aankomst van het vrouwenwielrennen bekijken en de avond is weer mooi gevuld. Morgen loop ik door Lucca …
Anarchisten en clochards in het casino
Geschreven op 14 juli
Altopascio – Boccadasse
Intussen hebben we een klein sprongetje gemaakt op de kaart van de Laars. Ik heb geslapen in het klooster van kunstenaarsstadje Pietrasanta en op de vloer van het dorpsschooltje in Sarzana. In natuurpark Cinque Terre sliep ik op het strand van Monterosso en een dag later op een bankje aan een kerk in Chiavari. Gisteren wilde ik op het strand van het prachtige vissersgehuchtje Boccadasse in Genova slapen, maar de priester stond erop mij een kamer te bezorgen in een klein hotelletje in het gehucht.
Als ik bij thuiskomst ontslagen word, mag ik een tijdje in de commune van Yuri op Sardinie gaan leven. Ik zal dan wel veganist moeten worden en de anarchistische kaart moeten uitspelen. Zelf trekt hij ook als pelgrim rond, ik kom hem overal tegen maar heb hem nog nooit een meter zien wandelen. We praten veel over radicale filosofie en ik ben zijn geest geinfiltreerd met de uitspraak dat geld en tijd (als waargenomen tijd op uurwerken) vergif zijn die de menselijke psyche tot een berekenend instrument hebben gemaakt – dank u voor de aanzet, Georg Simmel!
Verder heb ik een levendige discussie gehad over wie nu de grootste aller tijden is – Merckx of Armstrong – met een Franse pelgrim-clochard van 65 die al tien maanden door Europa zwerft met een valies vol religieuze boeken, een gescheurd kostuumvestje en twee golfclubs. De man werd door de politie van Monaco aan de grens gezet (“Ik heb hen bedankt voor de lift.”) Hij wordt soms ook door de politie ondervraagd omdat mensen bellen dat er een terrorist door de straten taffelt, en dat vindt hij bijzonder lollig. “Les gens n’aiment pas que tu fais un peu le clochard …” Oh ja, Merckx is de grootste, zelfs al wint Armstrong deze Tour. Wat hij overigens niet zal doen, hij zou beter voor de bollen gaan, dan wordt die trui ook nog eens door een grote gewonnen.
Na Sarzana heb ik de Via Francigena dus achtergelaten en ben ik naar La Spezia getaffeld om er even aan het strand te gaan liggen. Daarna ben ik door het prachtige natuurpark Cinque Terre gewandeld met prachtige panoramapaden langs de kust. Intussen ben ik bijna door Genova langs de kust getaffeld en zet ik mij op weg naar San Remo en Ventimiglia. Het is hier ontzettend heet dus stop ik regelmatig om te plonzen op een strandje. In de afgelopen drie dagen heb ik bijna 130 km gewandeld en dat begint toch door te wegen op de voeten. Er is hier een hittegolf komen aanwaaien vandaag, dus doe ik het even wat rustig aan. Over een week zal ik dit casino (volgens een halfblinde ambtenaar in Altopascio is dit land een casino) achter mij laten, maar dat zien we dan wel weer.
Geef die jongen zijn zaligheid
Geschreven op 17 juli
Boccadasse – Porto Maurizio
Die Via Aurelia, dat is toch iets. Ik dacht dat ik niet al te veel te vertellen ging hebben, maar iemand die uren kan zeveren over de grootste onbenul, krijgt dat spel hier uiteraard gemakkelijk vol. Het is hier een kapotgetoerist stuk, maar nu val ik in herhaling zeker? In ieder geval ben ik de laatste dagen nul interessante mensen tegengekomen. Dat is niet weinig, dat is nul.
De weg verloopt nu grotendeels langs het strand, over dijken en soms eens over een Capo. Vandaag heb ik overigens de Capi uit Milaan – San Remo gedaan, voor de kwissers zijn dat Mele, Cervo en Berta als ik me goed herinner. Ik heb goed koers gemaakt, want we gaan zonder Cavendish naar de Poggio. Voor de rest valt er weinig te vertellen over de weg: zon, zee, strand en een dijk van een hittegolf. Vanaf een uur of acht is het hier meer dan dertig graden, als er wolken bijkomen wandel je door een stoomhut.
Over het wandelen kan ik enkel zeggen dat het zeer onregelmatig gaat. Van Boccadasse naar Varazze was een dikke veertig kilometer, de volgende dag stopte ik na twintig kilometer in natuurreservaat Bergeggi. Gisteren haalde ik net geen vijftig kilometer naar Laiguéglia, vandaag hoop en al twintig tot Porto Maurizio. Ik vertrek vroeg in de ochtend, doe op de middag een dutje en spring om de vier voet even in de Middellandse Zee, als dat even mogelijk is.
In Varazze sliep ik op een bankje op de dijk omdat alle strand er privaat en ontoegankelijk is. In Bergeggi nam ik een prachtige maar veel te dure camping. Gisteren liep ik twee steden voorbij omdat er nergens een bankje of een stukje strand was waar je enigszins in de luwte kon slapen, ondermeer omdat overijverige carabinieri mij van een bankje plukten in Albenga. Ik sliep uiteindelijk op een mooi stukje zandstrand – de meeste stranden zijn hier keien. Deze morgen deed ik een vroeg ochtendzwemmeke en kreeg na wat geprul met mijn zakmes een douche aan de praat die blijkbaar niet voor de clochards mag dienen.
Voor de rest bekijkt iedereen mij hier alsof ik een vuil stuk onbenul ben. Terwijl ik juist een vuil stuk benul ben. Soms zou ik willen schreeuwen, hey, in het echte leven heb ik ook een goede job. Ik heb gestudeerd en heb daar een paar diploma’s aan overgehouden. (Okee, ik lig als een stinkzak op een bankje te slapen. Dat doén mensen die gestudeerd hebben en werken niet.) Het woord pelgrim lijken ze hier echter niet te kennen: stof en vuil zijt gij, en tot stof en vuil zult gij herleid worden. Ik kan dus wel zeggen dat de Ligurische kust mij stevig de keel begon uit te hangen.
Tot vandaag dus. In Imperia kwam een oud mannetje naast mij zitten toen ik zat te eten en wees naar mijn schelp op mijn rugzak. Hij vertelde dat ik naar de Duomo van Porto Maurizio moest gaan en mij daar aanmelden. Er was echter net een begrafenis aan de gang en de priester was in het Latijn de kist aan het bewieroken. Een vrouwtje wees me echter de weg naar een klooster, waar ik aanbelde. Ja, ik kon slapen. Maar eerst moest een buurvrouw gebeld worden, want de zuster mocht zomaar niet buiten. Dus wachtte ik in een portaaltje.
Een tiental minuten later ben ik door smalle straatjes met de buurvrouw aangekomen bij een huisje dat uitkijkt op de zee. Ze geeft me de sleutel en vertelt dat ik morgen voor het ochtendgebed van zeven uur kan langskomen om de sleutel terug te brengen. Ik heb dus een huisje met zicht op zee, mijn kleren draaien op dit eigenste moment in een wasmachine en dadelijk maak ik mij een kleine feestmaaltijd. Op de weg hierheen heb ik van twee jonge monniken een hangertje van San Francesco gekregen. De wind zit weer even mee, morgen zegevier ik in de straten van San Remo!
Duizend terrassen in Rome
Geschreven op 22 juli
Porto Maurizio – Fréjus
Ik zal het toch altijd meer hebben voor Frankrijk dan voor Italië. De mensen zijn er mooier en vriendelijker, de stranden gratis en verzorgd, voetpaden bestaan er. Okee, ik zal een paar dingen van Italië missen: de ijsjes, vooral die, mijn ochtendcappucino in een bar met de Gazetto dello Sport, waar ik alles kan lezen over de Tour en het zwemmen, de oudjes die ’s avonds op een pleintje luid tegen elkaar palaveren … Maar Frankrijk blijft toch beter, ondanks alles. Ik was dus redelijk blij om na drie weken de grens over te steken in Menton.
Ik sliep nog een dagje in het seminarie van Bordighera, waar ik ’s morgens de muur moest doen om buiten te geraken. Niemand was tijdig op om de poort voor mij open te doen. De kust was ik zo beu gezien dat ik onmiddellijk in Menton het panoramapad heb genomen. Zo kwam ik dus niet door Monaco, maar had ik wel een fenomenaal uitzicht op de stad – wat een mierennest van drie jaarlonen per vierkante centimeter is dat daar eigenlijk?
Ik heb mij een vrij gedetailleerde kaart gekocht en zo de GR 51 en GR 5 wat gecombineerd over de balkonnen van de Cote d’Azur. Dat is fors stijgen en dalen, dus de kilometerteller loopt wat minder in het rood. Tussen Drap en Tourette-Levens sliep ik in het bos boven op de Col de Bordine. De volgende nacht zette ik nog eens mijn tentje op in de bossen net voor Saint-Jeannet. Gisteren volgde de absolute climax: in het bijzonder knappe Massif De L’Esterel legde ik mij onder de blote hemel te slapen op een rotsformatie aan de Sommet des Grosses Grues. Beneden mij liep op de weg vijftig meter lager een hert de bossen in. Achter mij ging de zon onder en voor mij lag de Middellandse Zee. Zelf lag ik op mijn matje op een rotsrichtel van een dikke meter breed, alsof hij gemaakt was om op te slapen. Werkelijk fenomenaal om zo in slaap te vallen en een paar uur later weer op te staan! (Maar vertel het niet tegen ons moeder, want die zal wel weer denken dat het gevaarlijk is.) Google Earth-liefhebbers, doe uw best!
Na de balkonnen ben ik vandaag dus terug aan de kust uitgekomen. Ik ben nu net in Fréjus aangekomen, ik ga hier onderdak en vooral een douche zoeken, want ik begin toch een ferm stuk te stinken na een paar dagen in de buiten over zweterige cols en heuvels. In Fréjus zeg ik de kust definitief vaarwel en kan ik terug het binnenland in, op weg naar Aix-en-Provence en daarna Arles. Ik zal de Pyreneeënroutes voor een volgende keer laten, in Arles ben ik van plan mij op de echte camino te zetten richting Col de Somport. Inch’ Allah uiteraard, zolang de voorraad strekt. Hoewel ik mij fysiek steeds beter voel, ondanks het gemis van drie teennagels …
Het is feest als Herman schrijdt
Geschreven op 26 juli
Fréjus – Eguilles
Vanaf de kust heb ik mij vooral in dorpjes en in de bossen opgehouden. Het is hier verschrikkelijk heet en de mistral is vandaag ook gaan liggen. De Provence is wel wondermooi, de wegen zo goed als verlaten en de mensen … Ik voel mij echt gedragen door een kracht. Het lijkt alsof ik altijd onderweg zou kunnen zijn.
Mijn eerste stop werd Taradeau, waar ik sliep in het parochiezaaltje. Ik kreeg gratis drank bij mijn pizza als ik beloofde om aan de bakster nog wat verhalen te komen vertellen, dubbel gewonnen dus. Ik geraak op wegen van de Tour en loop een kilometer lang over boodschappen van Livestrong, waar ik echt kippenvel van krijg. In Le Val is er geen plaats in de parochie, maar de priester toont mij een publiek tuintje bij de oude wasplaats waar ik heerlijk kan slapen. Er speelt een bandje op straat en de leadgitarist zet een degelijke ‘Wish you were here’ neer waarmee ik luid meezing.
De weg naar Puyloubier is van mij en van de wielertoeristen. Ook in Puyloubier is het feest, tapasfeest op het plein waar ik eigenlijk wou slapen. Ik word door Maxime uitgenodigd voor een partijtje jeu de boules en een glas te veel pastis. Ook hier speelt een bandje en we eindigen zelfs op de dansvloer. Ik kruip veel te laat in mijn bed, dat bestaat uit een bankje op het plein waar het feest wordt opgeruimd.
Vandaag ben ik dan door Aix-en-Provence naar Eguilles gelopen. De eerste twintig kilometer heb ik afgezien, geen eten en geen drinken gevonden. De weg naar Eguilles was loodzwaar omwille van de hitte. Ik kom net op tijd bij de kerk om de finale van het petanqueconcours te zien. Jammer genoeg is père Denys in geen velden of wegen te bespeuren om mij een slaapplaats te bezorgen, dus ga ik naar de oude wasplaats om er te slapen.
Ik word aangesproken door Cyriel, een soort halfwilde, halfedele Indiaan die blijkbaar ook acht maanden pelgrim is geweest. Ik word uitgenodigd om bij hem te eten en te slapen. Er zijn nu vrienden op bezoek, we drinken wijn. Cyriel is echt een van de meest wijze en vriendelijke mensen die ik ooit ben tegengekomen. Morgen krijg ik van hem een paar cadeaus mee, maar eerst wil hij met mij naar père Denys. Met hem heb ik een lang gesprek over motieven, over God en over het leven. Morgen zal ik niet veel wandelen, want een van de geschenken die ik krijg is drie druppels water uit de Jordaan die Cyriel heeft uit een fles van 1908 en die alleen bij volle zon geopend mag worden. Waarom? Omdat hij zich in mij herkent. Voor de doop van mijn petekindje. Omdat het leven en de pelgrimstocht geschenken zijn, en we leven om te geven en te ontvangen …
This poor lonesome cowboy has a long long way to go
Geschreven op 31 juli
Eguilles – Montpellier
Hehe, gaat bij jullie ook alles zo ontzettend snel? Gisteren lag ik nog in een gigantisch onweer in La Storta mij af te vragen waar ik in godsnaam weer aan begonnen was. Een paar uur geleden zat ik nog op de schoot bij een Indiaan Jordaanwater te drinken, daarnet sloeg ik in Mouriès een werkaanbod af en nu zit ik in Montpellier te lachen met Abdullah van de internetshop omdat ik gevraagd had of ik een identiteitskaart moest afgeven – in Italië is er een antiterrorismewet die dat verplicht en Abdullah vindt dat zo hilarisch dat hij het in het café hiernaast is gaan vertellen. Maar laat ik wat onthaasten …
Ik bleef uiteraard te lang hangen bij Cyril en vertrok laat naar Salons-de-Provence, de stad van Nostradamus. Het was 21u gepasseerd toen ik aankwam, dus was er niet veel eten te vinden, behalve een gigantisch lekker Pakistaans restaurant waar ik de meest pikante vegetarisch schotel met wat rijst en nan masala naar binnen heb gewerkt. Ik legde me te slapen op het grasveld aan de Sint-Lambertkerk, maar Nostradamus had wel even mogen voorspellen dat daar om half vijf ’s morgens de sproeiers worden opgezet! Na een ochtenddouche heb ik mij maar op de trappen van de kerk gelegd en doorgeslapen tot acht uur.
Van Salons was het een dikke 45 kilometer naar Arles, maar daar wou ik eigenlijk een internetcafé zoeken dus kon ik pas de volgende dag aankomen en niet te laat op de avond. Het was weer zo’n bloedhete dag en in Mouriès was het hulpje van de lokale klusjesman doodgevallen – het hart. Dus recruteerde het schriele mannetje de eerste de beste costaud die hij op straat kon vinden, een Belg van een meter tachtig met een zware rugzak op zijn schouders. Hij kon kost en inwoon krijgen voor een maand en een loon van 65 euro per dag erbovenop, maar besloot toch maar verder te trekken. ’s Avonds kon de costaud-van-mijn-kl*ten het Romeinse aquaduct niet vinden en sliep dus maar in een wei (op 400 m ervandaan, zo bleek de volgende dag) in zijn tent omdat het op de moerasgronden rond Arles barst van de insekten.
In Arles kwam ik aan de St-Trophimekerk een Italiaanse pelgrim tegen die van daar startte. Terwijl ik op zijn vragen antwoordde, zag ik de onzekerheid op zijn gezicht, dezelfde onzekerheid die ik zelf ook kende een dikke maand geleden. Ik stelde voor in de namiddag met mij richting volgende dorp te wandelen, maar hij zag het niet zitten om eventueel buiten te slapen. Ik stelde hem gerust dat het niet zo’n ramp is de taal van het volk niet te spreken, ik was toch ook door Italië geraakt. En ’s avonds ook in St-Gilles-du-Gard, waarmee ik de eerste dagtocht uit mijn nieuwe boekje over de Chemin d’Arles heb afgelegd. Ik sliep er op een camping omdat pelgrims er een gigantische korting kregen en omdat er een zwembad was. Ik kan niet meer zwemmen, voor zover ik dat ooit echt kon.
Gisteren ploegde ik verder door de prachtige Camargue onder een loden zon. Ik heb mij op de markt in Arles een geweldig coole hoed gekocht – enfin dat vind ik zelf dus, en zie er nu nog meer als een landloper uit. Ik vergaap mij aan de paarden, stieren en roofvogels. De tweede tocht uit het boekje bracht mij in Gallargues-le-Montueux en op het dorpsplein riep een dame me bij zich. Ze bleek zich over pelgrims te ontfermen en dus sliep ik samen met zes oudere pelgrims – de leeftijd van mijn ouders – in een zaaltje en kon nog eens een gigantische omelette met veel verse groenten bereiden. Nu ik zo lang onderweg ben, word ik zo’n beetje een voorbeeld voor andere pelgrims. Dat streelt mijn gigantische ego, maar is ook vervelend omdat iedereen vraagt om met je mee te mogen wandelen …
Behalve als het, zoals vandaag, vier jonge Franse kerels zijn. Ze zijn net geslaagd voor hun toegangsexamen aan de officierenschool en hebben er al drie voorbereidende jaren op militaire school opzitten. We hebben samen gestapt tot dertien kilometer voor Montpellier, want ik ben de enige pelgrim die vandaag de volledige tocht heeft gestapt. Het boekje wil precies niet dat je dit doet, want om de haverklap staat er welke bus je kan nemen naar het centrum. Ik heb toch maar alles gestapt, ik vond het niet de moeite om een paar uurtjes over te slaan. Straks ga ik met mijn nieuwe vrienden op zoek naar een slaapplaatsje onder de blote hemel ergens buiten de stad, maar eerst ga ik zoeken of er nergens een afhaalchinees is waar ik op kan rekenen. Gaat bij jullie ook alles zo gigantisch snel?
Draagt een ezel mouwen?
Geschreven op 6 augustus
Montpellier – Castres
Na die moeilijke nacht in een publiek tuintje onder de Arceaux in Montpellier moest het opeens snel gaan voor meneer de onnozelaar. En dus stapte ik op zes dagen acht tochten ter waarde van een dikke 240 km met meer dan 5000 m klimwerk in de benen. Het was plots vijftien graden frisser, de benen wilden wel mee, aan rusten niet echt toegekomen en luisteren naar je lichaam is één maar dan ook nog uitvoeren wat het vraagt, dat is een ander paar mouwen. Draagt een ezel eigenlijk mouwen?
De tocht van Montpellier naar Saint-Guilhelm-le-Désert was de langste etappe uit het boekje, veertig kilometer. Het laatste stukje langs de gorges van de Hérault was fenomenaal en het stadje zelf, ondanks hypertoeristisch, zeer mooi. Ik sliep er in een kamertje van het klooster en at ’s avonds pasta met een Zwitsers koppel dat rondleidingen geeft in het stadje. ’s Avonds brak er een enorm onweer uit en kwamen nog een paar natgedwaasde pelgrims binnengestuikt, die de volgende dag een rustdag zouden houden.
Na St.-Guilhelm volgden dan de mooiste tochten tot nu toe, over de cols van de Cevennen en door de bossen van de Haut-Languedoc. Het was overigens een van mijn voornemens om dit jaar in de Cevennen te gaan stappen, en het was echt de moeite waard. De etappe naar Lodève was opnieuw veertig kilometer lang en aan het einde behoorlijk zwaar aan de poten. Ik vond er uiteindelijk ook niet beter op dan mijn tent in de schaduw van de kathedraal St.-Fulcran te zetten omdat ik schrik had voor nieuwe buien. Die bleven echter uit.
Net zoals bevoorrading uitbleef in de Cevennen. Ik ben al graatmager aan het worden, nu gaat ook mijn strakkere broek langzaam richting knieën. Op weg naar Lunas kreeg ik regen over mijn kop en was het plots “maar” 20 graden meer, ik deed zelfs een truike aan. Van dwarsigheid ben ik dan maar meteen aan de volgende etappe begonnen, de zon scheen weer en de natuur was zo ongelooflijk prachtig dat ik bleef doorgaan tot boven op een col, waar ik na 45 kilometer mijn tent zette en zonder avondeten naar de sterren gaapte. Ik zet mijn buitentent niet op als ik denk dat het droog blijft en vertelde mijn verhalen aan de maan en wie ze horen wil. Op 800 meter hoogte wordt het overigens behoorlijk fris …
De volgende dag was van hetzelfde meer: schitterende cols, prachtige bospaden en anderhalve dagtocht tot in Murat-sur-Vèbre. Op het laatste stuk stak ik een paar pelgrims voorbij die mij vertelden dat er een kleine refuge beschikbaar was, dus klopte ik bij het gemeentehuis aan en kreeg de sleutels van een fijn huisje mee met een keuken. Ik at een halve boerderij aan groenten en vlees en voelde mij meer dan gereed om de twee volgende dagtochten in één keer te doen, dat zou toch “maar” veertig kilometer zijn.
De voormiddag was tof. In de namiddag kreeg ik een suikerklop een een baaldagje. Vloeken op de herten omdat je ze hoort maar niet ziet, op de stomme roofvogels omdat je ze niet kan benoemen, op de sprinkhanen die je uitlachen, op het gebrek aan water, … Het lichaam was op. Ik probeerde trager te gaan, maar dat hielp niet. Lopen evenmin. Dus maar gewoon stappen. En balen. Bàààààlen. En dan komt op 4 km van Anglès een of andere leukerd vragen of ik niet even een lift wil … met zo’n idiote rotgrijns onder zijn dwaze vleesklak (hé, vanwaar komen die stemmetjes …) maar meneer de onnozelaar wou absoluut doorstappen want het zou wel gaan. “Laat maar, meneer,” zo zei de rugzak. “Ik ben gewoon even mijn stomme steenezel aan het uitlaten. Ik denk dat we nog tot die muur daar moeten, daar zal ie met zijn stoeme kop wel tegen gaan. Hard. Nog een prettige dag!”
En dan vind ik ’s avonds in Anglès een kleine refuge onder het postbureau, stelde niet veel voor, maar er was een warme douche en een keukentje. Er stond een halve fles rosé die ik op nuchtere maag soldaat maakte en waarvan ik onmiddellijk tipsy werd. Bij de slager kreeg ik wat extra vlees mee, want ik zag er mager uit. Ik kocht veel groenten en maakte voor de eerste keer vlokkenpuree met gerief uit het basispakket van de refuge. Ik las een lange klachtenlitanie in het gastenboek over de staat van de refuge, van zes meisjes. Domme kinders, dacht ik, zeker nog nooit in open lucht geslapen. Verwende trutten. En hehe, wat een stuk onnozelaar ben ik eigenlijk om de ganse dag zo te lopen balen. Of gewoon tout court, wat een stuk onnozelaar ben ik toch …
Om na een goede nachtrust toch weer voor een tocht van 36 km te gaan tot Castres. En om dan op vraag van de pastoor, grollend van de honger, toch de mis bij te wonen in de kathedraal. En om dan te weigeren dat hij je veertien kilometer verder op de weg afzet bij een abdij waar je kan slapen, want meneer wil alles stappen … En zo zit ik dus in Castres, onder een heerlijke zon. Ik moet nog wat eten gaan zoeken en daarna weer op zoek naar een slaapplaats, onder de sterrenhemel of een plaatsje waar ik een tent kan neerpoten net buiten de stad of zo. Man, wat is het toch geweldig om eens een paar maanden de complete onnozelaar te kunnen uithangen …
Dagen langs en onder water
Geschreven op 10 augustus
Castres – Ramonville
Na een vreemde nacht aan de oevers van de Agout in Castres, zette ik mij onder een donker wolkendek op weg naar Revel. Na mijn ochtendtoilet ergens in de velden, kwam ik een pittige oma tegen. “Dag Solange,” zo zei ik en de dame viel bijna van haar spreekwoordelijke stoel. Ik had vorige pelgrims over haar horen spreken en aan haar manier van stappen voelde ik dat zij het was. En dat dit een persoon was die ik gewoon moest tegenkomen op deze tocht …
Het is allemaal wat te moeilijk om uit te leggen, maar uiteindelijk heb ik twee en een halve dag met Solange gestapt en is er een enorme band tussen ons gegroeid. In Revel gingen we samen naar de gîte, waar een andere oma, Carmen, voor het eerst hospitalière was. Ik kocht verse groenten op de markt en maakte een vegetarische pasta, de dames kochten achter mijn en elkaars rug elk stiekem een vlaai – chocomousse en een soort rijstvlaai. Het werd een fantastisch leuke avond en de volgende dag beslisten we samen opnieuw op pad te gaan, op een weggetje langs de kronkelende Rigole die het Canal du Midi van water voorziet.
Solange was moe en zocht een gîte aan de Moulin de Narouge, maar die was volzet. Na een hoop heen en weer gebel vond ze uiteindelijk een klein hotelletje een paar kilometer verderop, maar was te moe om tot daar te stappen. We vonden haar een lift en namen emotioneel afscheid. Ik wandelde verder naar Seuil de Narouze en zette mijn tent op 10 centimeter van het Canal du Midi voor een uitgeregende nacht.
Zondag wandelde ik de ganse dag langs het Canal, ik klom over een hek de snelwegparking op om aan eten te geraken in het supermarktje en kwam even later … Solange tegen! Ze was uiteindelijk toch nog naar een ander hotelletje gemoeten en de dame had haar afgezet aan het Canal omdat ze de GR niet vonden. En dus hebben we nog maar eens 10 kilometer samen gestapt, tot Baziège, waar zij halt hield. Bij het afscheid kreeg ik een pin met de schelp en het zwaard van Saint-Jacques, die nu mijn hoed siert. Ik zette mijn tent een paar kilometer voor Toulouse aan het kanaal, vandaag neem ik de tijd om een toertje in de stad te doen. Het is nog steeds bewolkt, maar in tegenstelling tot gisteren is het voorlopig droog. Dadelijk toch maar een schietgebedje doen …
Op en af
Geschreven op 13 augustus
Ramonville – Auch
Pfff, niet veel goesting om te vertellen. Toulouse was wel de moeite en na een paar dagen regen is ook de zon en de hitte opnieuw van de partij. De weg is prachtig maar moeizaam. Ik maak kortere tochten, want de laatste week heeft veel energie gevreten. Mijn schoenzolen hebben een Geert Lambertkuur gedaan en zitten op minder dan de helft. In Léguevin was er een leuke gîte. Ik heb in mijn tent geslapen in Giscaro en aan het kasteel van St. Cricq. Ik zit bijna op 1000 kilometer van Compostella, als mijn berekeningen een beetje kloppen. Dadelijk nog even langs de kathedraal passeren en dan weer de velden in …
Hij die kan gaan waar de duivel wil
Geschreven op 17 augustus
Auch – Oloron-Sainte-Marie
Het is heet. Onbeschoft heet. Enkel hagedissen, slangen en de lonesome traveller bewegen zich voort. De Pyreneeën doemen op. Voor ons waanzin, achter ons waanzin. De kronkelwegen tussen Luc en Anoye zijn zwaar terrein. Uit de schaduwloze grond lijkt hete lucht op te stijgen.
Lo qui ey passat per Luc e Anoye
Pot passar per ont lo diable boye.
Erase / rewind.
In de schaduw van de kathedraal van Auch geeft de Zuid-Afrikaanse Lizzy me haar boekje met herbergen in Spanje mee. Zij gaat nog tot Lourdes, acht weken geleden vertrok ze in Brussel. Ik kan het beter gebruiken dan zij. In de schaduw van de kerk van Barran, enkele uren later, komt Pierre naast me zitten. Hij is 25, leerkracht filosofie in Toulouse en had al van de mad walker gehoord. We gaan samen naar Isle-de-Noé, waar we onze tentjes op een kleine camping zetten. De volgende dag zal hij teruggaan om zijn zus bij te staan die op het punt staat te bevallen van Agathe, een dochtertje …
Et vendredi, Herman fait jazzer Marciac! Ik had gelezen dat er een gerenommeerd jazzfestival op de route lag, dus vloog ik door een bijna ondraaglijke hitte naar daar. Ik was voor een keer niet de enige met een vreemde hoed op. Maar hij blijft cool, mijn camarguecowboyhoed. Ik kan mij de jonge Bob Dylan voorstellen met mijn hoed, terwijl hij met steelse blik de folkmuziek judaskust. Ik zette me op de markt voor een salsaconcertje en danste in een hoekje stiekem een beetje met mezelf. Slapen deed ik in een wei die dienst deed als parking, mijn tentje stond ver weg van de wagens onder een boom.
Ik had een paar dagen liggen slenteren en enselen, met een rugzak vol blues als extra ballast, maar sotto le stelle dell jazz worden alle mensen broeder en vergooien wij onze bijgedachten. Anoye is een ontvolkt dorpje met een slechte naam, een dikke 40 km verderop. Het terrein van de duivel, schaduwloze veldheuvels die onder een loden zon langzaam wegsterven. Eten bleek onvindbaar onderweg, enkel water hield ons recht. En dan, een kilometer voor Anoye een onheilspellend plaatje: gîte fermé, wat eveneens betekende dat het enige winkeltje dicht was. Dat komt wel even een heel klein beetje keihard aan … Ik zwoegde me een heuveltje op, zette mijn tent op en kwijnde weg tussen de maïshalmen, smekend om een beetje schaduw. Barstende koppijn en een slechte nachtrust …
Maar toch gereed om ’s anderendaags 15 km naar Morlaàs te stappen om er in de schaduw van die vreemde St.-Foykerk eten te vinden bij de enige geopende bakker. Eclairekes met mokkasmaak! Dorstig zwoegde ik richting Pau, waar ik naast de hippodroom eindelijk een prachtig grasveld en een waterfontein tegenkom. There is a god and she likes me ! Net als ik mijn rugzak heb afgezwierd en me in het gras smijt, valt de eerste regendruppel op mijn neus. She likes me, but she doesn’t want me to be so cocky about it … In Lescar is er een prachtige gîte, ik neem een dubbele douche en smijt mijn kleren in de wasmachine. Ik eet samen met Marcel, een Oostduitser met communisme in het hart en tendinitis in de knie …
Deze morgen werd ik wakker in een wolk, en daar liep ik de rest van de dag door. De bosheuvels waren gigantische modderpoelen, mijn schoenen zijn niet langer waterdicht. Mijn voeten verschrompelden, de modder stond tot aan mijn knieën en moest ik een staart gehad hebben, ik zou om de vier passen een daas en twee muggen van me af hebben kunnen slaan. Maar ik ben dus aangekomen in Oloron, mijn kleren hangen al te drogen in een klein herbergje. Ik was jaren geleden op een fietstocht ook in Oloron, en in supermarkt Leclerc werkte het mooiste meisje dat ik tot dan toe in mijn jonge leven had gezien. Ik heb me onderweg wel eens afgevraagd wat er van haar geworden is. Getrouwd met een of andere plaatselijke loser, terwijl ze toch ook met een loser van heel ver weg had kunnen zijn … Ik zal niet eens de moeite doen om te gaan kijken. Zoals ook toen de hitte mijn brein benevelde, kan het even goed een 47-jarige misfit geweest zijn die door de jaren heen een beetje is aangepast in mijn brein. Morgen kus ik de voeten van de Pyreneeën, daarna wacht de Hoogste Poort!
Voor mij geen Pied de Porc
Geschreven op 20 augustus
Oloron-Sainte-Marie – Jaca
Ook in Oloron stond ik met mijn voeten in de wolken bij het vertrek. Na een kilometer of tien stond een dame langs de kant te stretchen: Solange! Niet de onthaalmoeder van mijn petekind, wel de pelgrim die na enkele rustdagen bij een tante, wegens tendinitis, een dikke honderd kilometer had overgeslagen. We wandelden een stukje samen, maar na de middag heeft ze me laten gaan. Ieder zijn weg, en de mijne liep naar Accous.
In Accous ging ik nog eens naar de mis, 75 minuten waarvan meer dan de helft gezongen. Iedereen moest iets inbrengen, een verhaaltje of een lied of een lezing. Ik improviseerde een klein praatje over de pelgrimstocht, gesteund door Sylvana, een Oostenrijkse dame die dertig jaar geleden in een rolstoel belandde en nu met een handbike van bij haar thuis op weg is naar Compostella. ’s Avonds at en sliep ik in de parochie met Sylvana, de pastoor en twee Afrikaanse priesters uit Tsjaad en Burkina Faso. Sinds die avond beschouw ik Slager Pietmolen niet meer als de grootste bon vivant ter wereld, hij is een mooie tweede na de pastoor van Accous. Drank, eten, reizen en vrouwen, ik denk niet dat de man iets overslaat. Hij zou ons meenemen naar Ocochon-Sainte-Marie en Saint Jean Pied de Porc. Whisky, wijn en porto vloeiden bij sloten, en dat de dag voor de Somport.
Ik ben dus via de Col du Somport naar Spanje getrokken, over een hoogte van 1632 meter en onder een heerlijk stralende zon. Het was een tocht die afgeraden wordt door de boekjes omdat je een paar kilometer over de grote baan moet, maar daarna was het uitzonderlijk mooi. Ik vond het zelfs niet erg dat ik een uur in een bos verdwaalde en een stukje een tweede maal moest beklimmen. Boven besloot ik om verder te trekken naar Canfranc Estacion, waar ik in een herbergje sliep.
Vandaag ben ik met Alejandro, een jonge Spanjaard en met Jaime, een iets oudere Spanjaard naar Jaca getrokken. Dat is nauwelijks 25 km, maar er waren goede redenen om niet verder te trekken. Jaime is een gemandateerd politicus in Aragon en een zenuwpees eerste klas. Ik leer hem ontspannen en relaxen, volgens hem ben ik de meest relaxte boom ter wereld, hij betaalde me deze middag een goed restaurant. Ik leg hem het zwijgen op als hij over de verkiezingscampagne van het komende anderhalf jaar of over Opus Dei begint en babbel wat over de bloemen of riviertjes die we onderweg tegenkomen. Dat is goed om mijn Spaans te oefenen, want daar is echt wel werk aan. Ik kan nauwelijks nog een deftige zin vormen, maar ik heb nog een week of vier om te proberen.
Highway to whatever …
Geschreven op 27 augustus
Jaca – Logroño
Hehe, geraak hier maar eens op internet, op de snelweg naar Santiago. Na Jaca ben ik er in geslaagd mijn conservatieve politicus af te schudden, ben ik voorbij Puente la Reina gesneld en nu bevind ik mij dus al een tijdje op de camino frances, waar het gezellig, druk en ook wel gemakkelijk is. Overal wegmarkering, water, herbergjes en winkeltjes. Moet er nog zand zijn?
Na Jaca moest ik eerst door een soort maanlandschap met geërodeerde rotsen waar het merendeel van de dorpjes verlaten is. Het heeft wel iets, door zo’n verlaten en vervallen dorpje stappen. Vooral als het snikheet is, iedereen al lang onderdak zit en je dus alleen onderweg bent. Die avond sliep ik in een ruïne in de buurt van Miniatos.
De volgende dag liep ik voorbij Ruesta naar Sanguësa. De herberg was vol, blijkbaar al om 14u en dat blijkt normaal te zijn. Er was echter een camping met toegang tot het zwembad en hoewel ik pas om 17u in Sanguësa was, kon ik toch nog tot acht uur in een hete zon liggen dobberen. Ik heb zelfs niet proberen te zwemmen, want dat gaat toch niet meer.
Van Sanguësa was het een soort rustdagje naar Monreal, nauwelijks 31 km. Er was plaats in de herberg en ik heb samen met twee Duitsers pasta gemaakt voor de hele groep, 15 man. Het was enorm gezellig, tot we dus gingen slapen en Carlos de snurker zijn talenten toonde. Ik denk dat je beter slaapt in een druk spoorwegstation waar ze volop met de drilboor aan de slag zijn dan in een kamer met Carlos. ’s Morgens maakte ik ook kennis met een nieuw fenomeen: de pelgrimcompetitie. Blijkbaar vertrekken de meeste mensen hier rond een uur of vijf in het pikdonker met een lampje op hun kop om toch maar in de herberg te zijn voor hij volzet is … Ik wacht steeds tot zonsopkomst en blijf daar ook rustig voor zitten, maar wie ben ik uiteraard.
Van Monreal ging iedereen naar Puente la Reina, waar de wegen samenkomen en het druk wordt. Ik had geen goesting om er te blijven, het was al vier uur en alles zou wel volzet zijn, dus stapte ik verder. Ik ontmoette Helmut, die uit thuishaven Wenen vertrok en dus verder loopt dan ik, en Carlo, een Nederlander die ook al vier weken onderweg is uit Midden-Frankrijk. Twee bijzondere en toffe kerels, samen wandelden we naar een klein herbergje in Cirauqui om te slapen. Ik pikte ook mijn eerste Spaanse mis mee.
De volgende etappe liep ik vaak alleen, maar ook een stuk met Jan, Nederlander die vanuit Pau vertrok en een jarenlang gekoesterde droom waarmaakt. Ook Carlo kwam bij de groep en samen maakten we een lange tocht naar Los Arcos van ongeveer 36 km, ondermeer omdat we een afslag misten. Ik had beloofd pata te maken en dus aten we een goede bolognaise.
Ook gisteren liep ik een groot stuk met Carlo, echt een gast met wie ik goed overeen kom. We kwamen al om 16u in Logroño aan, maar toch was de herberg al vol. 80 bedden, op een half uur uitverkocht. We gingen dus naar de parochie waar een herberg op zijn Italiaans was – donatie en geen inkomprijs, gedeelde maaltijd. Ik ging naar de mis, daarna naar de gebedsronde in alle aanwezige talen. De teksten leken speciaal voor mij geschreven en ik kreeg er echt kippenvel van. Achteraf heb ik daarover nog een tijdje met de Filipijnse priester gepraat. Ik speelde gitaar met een Rus en ging vroeg slapen, ondanks de Spaanse giecheltrienen in de kamer. Het is nog een dikke 600 km en ik amuseer me nog steeds rot. Jammer dat ik geen tijd heb om ook terug naar België te wandelen …
Club Med naar Santiago
Geschreven op 30 augustus
Logroño – Burgos
Ik heb mijn drinkebroers Helmut, vier maanden geleden vertrokken uit Wenen, en Carlo, een dikke maand geleden vertrokken in Perigueux, een lied geleerd in het Nederlands op de tonen van de Marlets en ook wel Amarillo. Ik val met de deur in huis waarschijnlijk, maar als je hier niet oplet wordt die Camino Frances dus een gigantische kroegentocht. Ik probeer op te letten …
We gaan te voet naar Santiago
Jaja te voet naar Santiago
En wanneer komen wij daar aan
Met al die kroegen langs de baan
Maar Logroños dus. Waar was dat ook alweer en wat hebben we gedaan? Ik heb geen tochtboekje meer dus wordt het steeds moeilijker om alles bij te houden. Als ik het goed heb werd de dag erop een grote boemeldag, met halte in Najera. Helmut, Carlo en ik gingen in de supermarkt literflessen bier koud zetten achter de fruitsappen in de frigo en dronken ze later aan de rivier soepeltjes weg. Ik gaf een straatoptreden met ukelele en speelde onder andere Hazes, Oostenrijker Helmut is een fan. We moeten ook nog ergens geslapen hebben, in een slaapzaal met honderd stapelbedden. Ook vrouwen blijken hard te kunnen snurken.
De volgende dag deden Carlo en ik een boetetocht, door fris weer 38 km naar een mooi weitje om de tent op te zetten. Ik dronk enkel waterijsjes en een beetje bier met aquarius van een gestoorde Belg uit Wetteren die met een kar van tachtig kilo rondtaffelt. We sliepen goed en uit, werden pas om een uur of acht gewekt door jachthonden en geweerschoten. Dus maar als de hazenwind weer de camino op.
Gisteren liep ik dan na vele dagen weer alleen over de camino. Het is moeilijk om iedereen af te schudden, maar na de middag lukt het. De meeste mensen racen immers tussen kwart na vijf, met een lampje op der kanis, en een uur of een naar de herberg om een bed te hebben. De namiddag is dus best gezellig en kan behoorlijk lang duren als er weer eens een terrasje aankomt. Nu ik alleen ben, weet ik die echter te mijden en ging ik nog eens naar de mis en de herberg in San Juan de Ortega. Ik kreeg er ook een kleine benedictie en gratis looksoep.
Intussen ben ik dus naar Burgos getaffeld, over die redelijk saaie en brede veldweg die de camino hier is. Ik ga dadelijk eens kijken of de herberg nog een bed heeft, anders gaan we gewoon verder. Ik weet niet goed wat ik van die Camino Frances moet denken, het lijkt wel een grote Club Med. Nooit zoeken naar de weg, nooit zonder water vallen en overal herbergen en terrasjes … Ik kan me nog nauwelijks voorstellen hoe het eigenlijk voelde om midden in een dorp of stad op de trappen van de kerk te slapen, laat staan hoe ik het in godsnaam in mijn kop gehaald heb om dat te doen. Raar beestje, die Jacobsroute …
Hier wandelt het toekomstige licht
Geschreven op 2 september
Burgos – Sahagun
Zonder de wijnfontein van Irache blijk ik niet meer verloren te kunnen lopen. Ik nam waardig afscheid van mijn drinkebroers met een kebapje en wat biertjes, zij hadden zich toch ook nog tot in Burgos weten te slepen. Maar intussen vlieg ik dus over de biljartvlakke camino en weet nog nauwelijks wat bier is. Of zal ik anders eerst vertellen hoe ik mij de gebeden van een stel Canadezen op de hals heb gehaald?
Ik wilde gisteren in Carrion de los Condes wat koken, maar de keuken was bezet. Dus belandde ik op de pelgrimszelfhulpgroep. Ik verklaarde dat ik al meer dan twee maanden was gestopt met stilzitten en kreeg applaus. We zongen liedjes, van die religieuze. Een Canadese pastoraal werker wilde met mij de filosofie na Nietzsche onder de loep nemen. Luhmann vond hij grensverleggend gezwans – dat is het enige wat er in de filosofie overblijft na Nietzsche, zo verklaarde hij. Sartre zou zich afvragen waarom we nog doorgaan, maar mijn domme mond vond het nodig de draaiende derwisj ter sprake te brengen in een meditatie rond religieuze trance. Ik vraag me zelf ook af waarom ik zo’n afschuwelijke tetterkont ben als het over dit soort zaken gaat.
Voor ik goed en wel mijn kont kon keren, vond de man dat ik geroepen ben door Ons Heer om het Woord te verkondigen. Ik beschik namelijk over een goede bagage met mijn filosofische en religieuze kennis – die mond moet echt dringend dichtgemetseld worden. “You’ll be a Light to others, we have been praying for you and we will keep on praying for you,” zo verklaarde zijn vrouw. Nu maar hopen dat Hij wil dat ik het licht ben voor ’s avonds bij de muziekstonde en niet dat lampje dat die idioten om 5u15 op hun bol zetten als ze zich op een pikdonkere camino zetten.
In Burgos zag ik mij genoodzaakt te wachten tot het licht – zowel ikzelf als het zonlicht – wakker was. Dat duurde van wekuur half zes tot iets na zeven. Ik wilde naar San Nicola voor de Italiaanse herberg van de mensen die mij ook in Radicofani hadden ontvangen. Probleem was dat die vijftig kilometer verderop lag. Logischerwijs was die dus grandioos volzet toen ik aankwam en was een tentje opzetten niet toegestaan. Ik heb wel een volle stempelkaart en een nieuwe Italiaanse (kaart) kunnen bemachtigen, maar moest wel nog 2 km verderop naar Itero de la Vega om te kunnen slapen. 52 km, een nieuw dagrecord!
Gisteren ging het allemaal een beetje minder en het Licht kwam verveeld en net op tijd aan om het voorlaatste bed in de herberg te bemachtigen, naast zijn Canadese apostel. Ik maakte pasta voor mezelf en Ruta, een Litouwse die ik onderweg ben tegengekomen. Ze vroeg zich af waarom ik niet bid voor het eten en ik verklaarde dat koken voor mij een soort gebed is. Mijn mond heeft overal een antwoord op en dat begint ook mij tegen te steken.
Vandaag zaten mijn darmen verstopt en moest ik op 2 km tijd viermaal de bosjes in. Nadat ik al als laatste uit de herberg was vertrokken, maar dat is stilaan een gewoonte. De laatsten zullen de eersten zijn. Of niet, want het is toch geen competitie. Vanop de camino riep Serge mij, een langeafstandspelgrim die als laatste uit de andere herberg was vertrokken. Samen staken we iedereen voorbij en kwamen dus aan in Sahagun na veertig kilometer. Het wandelen gaat hier zo gemakkelijk dat ik de kilometers nauwelijks nog voel. Mijn schoenen staan op buigen maar barsten zullen ze niet, of het Licht zal op blote voeten verder moeten …
… maar nog niet helemaal
Geschreven op 8 september
Sahagun – Triacastela
Pff, is het echt al zo lang geleden dat ik nog eens iets heb verteld? Intussen ben ik al bijna in Santiago, heb ik een nieuwe bijnaam afgeschud en is de weg terug briljant mooi geworden. De laatste echte berg was vandaag op de grens van Galicië en nu is het dus skiën richting kust geblazen.
Van de weg naar Sahagun weet ik vooral nog dat ik in een bar bleef hangen omdat Elvis er speelde en ze lekkere zelfgemaakte kaas serveerden. Ik stapte tot in Mansillas las Mulas en at er met twee Franse zestigers die het oneens zijn met elkaar verheven hebben tot een kunstvorm. Te lang om te typen, maar vraag er gerust naar als ik nog eens ergens aan een toog zit weg te kwijnen.
Van Mansillas was het maar een zuchtje tot Leon. Ik ging wel in de kathedraal kijken, maar struikelde er over de Duitsers. Ik wandelde nog een eindje verder op het lelijkste stuk weg dat ik totnogtoe onder de voeten kreeg en sliep in de herberg in Villadangos del Paramo: wat een naam! En ze hadden er stapelbedden die driehoog gingen, dus sliep ik drie meter boven de grond, hoewel er niemand op de tweede verdieping sliep.
Na Villadangos werd de weg stilaan terug beter. Ik deed een behoorlijk dagje en stopte in het bijna verlaten dorpje Santa Catalina de Somoza. Omdat er geen winkeltje was, zag ik mij genoodzaakt een menu te eten. Een knappe FranÇaise vroeg of ze bij mij mocht zitten, we aten samen en babbelden over de camino en over haar kleinkinderen. Ze vertrok met de woorden: de maaltijd is betaald, slaapwel. Ik ben een betere tafelschuimer dan die Tituskerel uit Gent.
De tocht naar Ponferrada was lang maar mooi. Ik wandelde tot in een christelijke herberg en kreeg er een nieuwe bijnaam van de Italiaanse hospitalero: la machina Ferrari. Een mooi compliment, maar minder leuk toen ik de volgende dag voortdurend werd nageroepen met hey machina! Gelukkig schud ik dikke Spanjaarden en Italianen sneller af dan een hond water uit zijn pels. Ik kwam Serge opnieuw tegen, een joviale Marseillais die ook al een week of acht onderweg is. Nu hij Ruta niet meer heeft om voor te zorgen, richt hij zich tot de hond van een Duitse. Die at de rest van mijn maaltijd dus op.
Gisteren taffelde ik dan tot in Trabadelo, vandaag het bergje naar Cebreiro over om te overnachten in Triacastela. De natuur en het landschap zijn prachtig, de weg kort op. Om de halve kilometer staat er een paaltje, het laatste wees op 130 kilometer. Mijn voeten lezen mee door mijn schoenzolen, die nu dunner dan een gazet zijn.
Vanuit de schaduw van de kathedraal!
Geschreven op 12 september
Triacastela – Santiago de Compostella
En dan sta je ’s morgens op en is het nog maar een dikke twintig kilometer naar Compostella. Je krijgt al een brok in je keel als je er aan denkt. Net als Serge, een Marseillais die je vader had kunnen zijn en die in Le Puy-en-Velay nooit had durven dromen om hier te arriveren, vijftien kilo lichter en in de vorm van zijn leven. Die ook nog met het fenomeen Helmut heeft gewandeld. Je besluit samen te vertrekken en op 10 km alleen verder te gaan. In die laatste twee uren komt alles terug, het onweer boven Rome, het foutlopen en verdwalen in de velden in Lazio en Toscane, honger en dorst en dat kleine heerlijke waterfonteintje dat je plots tegenkwam … te veel, te veel. Je passeert de laatste heuvel en daar ligt het dan: Santiago. Het doel, na 2800 kilometer. Er zijn gewoon geen woorden meer. Je ogen stromen. (Nu nog, terwijl ik het typ.) Serge arriveert op dezelfde manier. Je omhelst.
Vanuit Triacastela wilde ik absoluut onder de 100 km geraken. Daar kwam nog een alternatieve route tussen die een kilometer of 6 omging, maar in Ferreiros vonden we een matras die gratis bij een restaurant kwam als je er dineerde. Voor 10 euro at ik massa’s pasta, kreeg het vlees nauwelijks op en vergat de wijn niet. De volgende dag moest ik zes volle herbergen voorbij om op 60 km het laatste bed te vinden in Casanova – wat een plaats om te overnachten. De tent blijft in de rugzak. Gisteren dan tot op een dikke twintig kilometer, in Santa Irina, om lekker rustig binnen te wandelen vandaag. Voor het eerst op de camino maak ik het mee dat ik in een herberg slaap en nog iemand na mij arriveert en geen bed krijgt. Drie Spanjaarden, het meisje weent. Ik bied haar aan mijn tent in de tuin te zetten, de mannen moeten er dan maar naast slapen, maar ze gaan toch verder. Ik heb het een beetje moeilijk, maar vraag me af of iemand anders zo ook gedacht heeft, die tientallen keren dat ik te horen kreeg dat de herberg compleet was …
Wat nu, nu het doel bereikt is? Morgen is er de zondagsmis in de kathedraal, daarna volgen waarschijnlijk de kusttripjes naar Muxia en Fisterra (Finisterrae in het pelgrimsjargon), we zien wel wat standhoudt. Mijn schoenen verdienen eigenlijk een pensioen, mijn wandelbroek heeft ongeveer zeventien scheuren, mijn sokken staan vol gaten maar het hoofd is fris en wil wil wil – die plons in de Atlantische Oceaan. We’ll see. Niks moet, alles kan. Jongens toch. Je moest een weten hoe gelukkig ik was, zou Raymond zingen. Zou ik ook zingen, even gloedvol als Raymond. Shit man, ik sta in Santiago!
Don’t run into the Kraut
Geschreven op 16 september
Santiago – Muxia – Fisterra
Ik heb er wel aan gedacht, aan het Einde van de Wereld in de oceaan duiken en vergaan met de golven. Vooral omdat de timing niet beter kon – met een blanke ziel, vergeven voor al mijn zonden en een degelijke boterbrief met een goede daad. Mijn kansen om aan de Rechterhand van mijn Vader te belanden waren beter dan de kansen op ritwinst van Cavendish wanneer onder de vod zijn vier ploegmaats in het treintje Gert Steegmans, Tom Boonen, Tyler Farrar en Robbie McEwen heten. Ik zou kans maken op de Troon hemzelve. Geen zever, lees maar wat verder.
In de zondagsmis in Santiago werden de pelgrims afgeroepen. Elfendertig Duitsers die vertrokken zijn uit Triacastela, een stuk of wat Denen die uit Frankrijk vertrokken. De Italia, tres Italianas en bici, uno de Belgica a pie. Serge stoot mijn voet aan, we hebben het gehoord. En een beetje trots ja, ook al stelt het weinig voor. Wanneer de zuster begint te zingen krijg ik kippenvel en voor de zoveelste keer tranen in mijn ogen. Ik dacht dat ik de dag ervoor, samen met Serge tijdens onze broodmaaltijd op het plein aan de kathedraal, alles wel zou hebben uitgezweet, maar nee. Serge ook ja, hij ook. Het truukje met het zwierige wierookvat wordt bovengehaald, het afscheid van Serge is emotioneel en om half twee zet ik mij op weg naar de Atlantische kust.
De eerste dag beland ik in Negreira. De hospitalero is een schoonmoeder uit de mopjes en haar tienjarige dochter heeft dezelfde streken. De herberg is uiteraard volzet maar ik mag mijn tent zetten. Ik kan mijn slaapzak niet meer gebruiken wegens een aanval van punaises de lit, een soort van vlooien, de dag voor Compostella in Santa Irina. Mijn armen staan, nu nog, vol met een honderdtal beten die verschrikkelijk blijven jeuken. De hospitalero smeert mijn rug in, als een echte moeder en ik krijg dekens om buiten te slapen. Het wordt stilaan koud ’s nachts.
Onderweg naar Olveiroa krijg ik het gezelschap van Nicholas, een Fransman die nog met Serge en Helmut wandelde. De wereld is een afschuwelijk kleine plek, wat leuk is als je op zoek bent naar het einde. Samen met Nederlander Raymond en een Italiaanse Fonzie, en Belg Marco die in Mechelen vertrok en een stempel heeft uit Grimbergen, eet ik een niet zo geweldige menu in een bar en drink te veel. Ik slaap in de keuken op een judomat, maar slaap als een roos met te veel water op.
Ik besluit om eerst naar Muxia te gaan en daarna naar Fisterra. Muxia is voor Galicië een soort Scherpenheuvel. De weg is prachtig en als ik na een dikke 25 kilometer de oceaan zie, gaan alle remmen los. In Muxia zelf krijg je net als in Santiago een diploma, maar hierop staat aangegeven dat je een aflaat krijgt voor al je zonden. Dat is een zeer goede uitgangspositie, een blanke ziel om van de aarde af te wandelen.
Vandaag was er dan wat gedruppel, dat was al van voor de Pyreneeën geleden, en daarna een echte bui. Dat was al van in Siena geleden! Tijdens die bui kwam ik een huilende Duitse vrouw tegen die, net als ik, de weg kwijt was. Aangezien deze vrouw ten einde raad was, besloot ik mijn erfvijand te begeleiden. Eat this, carpenterboy met je andere wang! Giselda blijft maar naar haar kaart wijzen, en ik doe alsof ik weet waar we zijn. Ik loop op instinct, zo zeg ik haar. En ook wel dat we hier zijn, terwijl ik naar een willekeurige plaats op de kaart wijs. Mijn instinct en een beetje geluk brengen ons in Fisterra en ik bemachtig een bed in de herberg. Op de Kaap zelf, het meest westelijke punt van weetikveel, klim ik naar beneden om een zwemmeke te placeren maar moet terug wegens te gladde rotsen. Sterven met een blanke ziel en een behoorlijk goede daad jegens je erfvijand, het is een Troon met rijstpap waard, maar het schijnt dat er in België ook nog leuke dingen op mij wachten. Ik ben nu van plan terug naar Santiago te wandelen, tot aan de luchthaven, en zondag rechtstreeks het vliegtuig op te wandelen. Kleine, ik ben om 19u30 in Eindhoven. Zie maar dat de frituren in Pelt verwittigd zijn!
Terug in Santiago
Geschreven op 19 september
Fisterra – Santiago
Volver – terugkeren. Wat een enorm vreemd gevoel om de camino in omgekeerde richting te wandelen. Terwijl iedereen woensdagochtend vroeg op was om de bus te pakken naar Santiago, bond ik mijn veters en at wat muesli. Het regende een beetje buiten en daar zou het de volgende dagen nauwelijks mee stoppen. Mijn schoenen zijn even waterdicht als croissants. De weg is ook niet echt aangeduid in omgekeerde richting, ik liep dus hoofdzakelijk op gevoel. In de eerste plaats de hoogste heuvel in de buurt omhoog, om de kustlijn en de kaap nog even te bewonderen. Daarna terug richting … thuis.
Ik sliep op de gekende adressen. Herman, je kent de herberg nog wel, dus doe alsof je thuis bent, zo zei de hospitalera in Olveiroa. (Het leek wel de woensdagnamiddagstrafstudie op het college – Loos, ge kent de regels wel, begin maar te schrijven, zo zei Kaki.) Ik sliep in een schuur op een judomat, alleen. Er was nog een bed vrij in de slaapzaal, maar ik verkoos alleen te slapen. Het meisje in de bar moet een boon voor mij hebben. Een paar dagen geleden kreeg ik dubbel zo veel vlees als mijn tafelgenoten, nu rekende ze een fles rode wijn niet aan. Ik sliep goed.
Onderweg naar Negreira kwam ik oude bekenden tegen. Ze zeiden dat de herberg vol was, maar ik antwoordde dat het voor mij niet zo was. Ik had er zondag in mijn tent geslapen en deed dat opnieuw. Galiciërs zijn hier veel vriendelijker tegen mensen die terug naar Santiago wandelen dan tegen mensen die de normale richting uit gaan, zo viel mij op. Nochtans werden het mooie dagen, ondanks de regen. Alle zalige momenten kwamen terug, de thermen in Viterbo, de adelaar die een uur lang rond de Col de Marie Blanque cirkelde, …
En nu ben ik dus terug in Santiago. De kathedraal is dezelfde maar hij doet me weinig meer. Ik keek wat naar de euforische pelgrims die arriveerden en naar een koppel dat huwelijksfoto’s liet maken op het plein. Straks ga ik naar de luchthaven, te voet of met de bus. Het weer zal er over beslissen. Het is hoop en al 10 kilometer. Maar eerst ga ik mijn vliegtuigtickets afprinten, morgenvroeg vlieg ik naar Londen en in de vroege avond richting Eindhoven. En churros con chocolate eten. En de mooiste psalm uit de bijbel declameren. And I will dwell in the House of the Lord forever.
Terug naar de werkelijkheid
Geschreven op 21 september
Santiago, luchthaven. Ik nam toch maar de bus. Omdat ik te lang in de kebapzaak mensje zat te kijken, en de luchthaven enkel via de grote weg bereikbaar is. Het was al laat en donker en ik dronk het appelsap van Don Simon dat even duur is als de rode wijn van het meest verkochte Spaanse wijnmerk. Er leven veel idioten op de wereld, zoals ik, die goedkope wijn kopen omdat hij minder duur is dan goede wijn. Een vrouw met vuurrood haar en een knalgele jas viel me op, ze stond naast haar rugzak en nam de nooduitgang die zich vlak naast de gewone uitgang bevond.
Ik sliep op een rustig plekje, onder een trap op de overgang tussen vertrekhal en aankomsthal. Er kwamen enkel luchthavendames voorbij die buiten gingen roken maar ik leek wel onzichtbaar. Ik plooide voor de laatste keer mijn slaapzak open, die naar zweet en desinfectiemiddel en te lang onderweg rook. Ik klikte mijn rugzak aan het bankje vast en bond met een veter mijn heupgordel met mijn waardevolle spullen – geld en fototoestel – aan mijn rechterpols. Sommige rituelen achtervolgen je als je op straat hebt geslapen. Ik sliep als een ravijn, oneindig diep, ondanks het lawaai.
’s Morgens bleek de vuurrood-met-gele vrouw nog steeds naast haar rugzak te staan. Ik at mijn laatste muesli, staarde willekeurig naar het plafond en de mensen en zag het mensje op geen enkel moment zitten. Ze fascineerde mij, maar niet voldoende om toch niet af en toe even weg te dutten. De status van mijn vlucht veranderde en ik kon naar de balie. Inchecken doe je niet meer bij Ryanair, je geeft enkel je rugzak af en een geldig identiteitsbewijs – mensen zeggen dat ik op de mijne op een Armeense kindermoordenaar lijk. Het voelde vreemd aan om mijn huis op de band te leggen, ik die als een slak drie maanden lang mijn huis op mijn rug had gedragen.
Londen was een tussenstop. Ik had geen ponden en dus keek ik alleen naar prijslijsten en dronk water in de toiletten. Het water was lauw, want met toiletwaterdrinkers kan een samenleving die geld als motorolie nodig heeft niets. Ik had onderweg wel warmer water gedronken, en water met een slechtere smaak, maar op de luchthaven vond ik geen muntblaadjes langs de kant van de weg.
Ik stond een dik uur later in Eindhoven. Het kostte me een dikke vijf minuten van mijn passagiersstoel naar de auto van mijn kleine broertje op de parking en vijfentwintig minuten naar de frituur. Mijn huis lag in de koffer, met drie pelgrimsdiploma’s. Onderweg naar Leuven moet ik ergens mijn camera ergens vergeten zijn, in een huis of in een auto. Slapen ging niet of moeilijk, hoop en al een paar uurtjes. Nee, ik heb geen spijt dat het niet langer geduurd heeft. Het had alleen wat langer mogen duren. Of niet.
Meer foto’s: klik!

Fantastisch! Had je ook last van zwerfhonden? Je was in Triacastela. Daar is/was een pelgrimsgevangenis. Heb je die gezien? En, waar gaat je volgende
(pelgrims)tocht naartoe? Ik denk dat je het stappen/pelgrimeren niet meer kunt laten! Een suggestie: naar Trondheim stappen.
Groetjes
Zalige Kerst. Gelukkig 2010!
Mia
Door:mia voordeckers opdecember 23, 2009
op3:43 pm