Schotland – Winter 2009
Als de nacht haar gewaden gedurende veertien lange uren over een gigantisch ijskastland legt, is het niet moeilijk om elke dag een zonsopgang mee te maken – voor zover de zon effectief door de wolken breekt uiteraard. Ik heb er geen flauw idee van hoe deze lichteffecten ontstaan, maar ik vermoed dat Sinterklaas zijn speculazen te lang heeft laten opstaan.

Ik weet niet of het zo is, maar er moet toch een legende bestaan over een woeste Schotse clansman die uit de handen van een Engelse koning wist te blijven door met zevenmijlslaarzen vanop Conic Hill over deze voetstapeilandjes te springen richting freedom ! Ik zou het zonde vinden als mijn simpel verstand het eerste was dat daar is opgekomen.

Het geniale aan het Schotse weer is dat het wispelturiger is dan een vrouw in een schoenenwinkel. Terwijl je rug geteisterd wordt door een brandende zon krijg je van de regen een nat gat en sneeuwen je voeten volledig in. Op Ben Lomond word ik in enkele uren tijd getrakteerd op zon, stormwind, hagel, regen en sneeuw. Als de lichtstralen op het Loch schijnen, lijkt het alsof schijnheilige meermonsters worden opgestraald richting firmament. Adembenemende beklimming!

Half Schotland is gesloten tijdens het winterseizoen en ook de roe deer geraken moeilijk aan hun dagelijkse kost. De anders zo schuchtere bambi’s bieden zich net niet geroosterd en met een pittig sausje van Drambuie aan. Honger is de beste saus zeggen ze wel eens, en ze hebben groot gelijk. De beestjes delen met mij een paar sneetjes brood en dan gaan we elk ons weegs.

Heb ik al gezegd dat het die week maar één dag niet gesneeuwd heeft? Het voordeel van kamperen in de sneeuw is dat je de gaten en kieren die de wind onder je buitenzeil doorlaten kan isoleren met het witte goud. Het nadeel is dat je altijd eerst een stuk grond sneeuwvrij moet maken vooraleer je kan beoordelen of je er een tent kan zetten. Dit plaatsje staat hoog op de lijst van mooiste camping ooit!

En plots draait alles enkel nog om fabelachtige vergezichten en ingesneeuwde bergpassen. Tussen Glencoe en Fort William liggen een dikke twintig kilometer drover’s routes die recht door het hart van de Highlands snijden. Je hoort voor een keer geen A82-verkeer en botst in het winterweer evenmin op hijgende zondagswandelaars. Het woord adembenemend heb ik al kapotgebezigd om deze reis te beschrijven, maar als zwemmer met een uitmuntende longcapaciteit kan ik deze zonde wel hebben.

Nog eentje om het af te leren. De briljante Manic Street Preachers zongen ooit de prachtige regels “I want to walk in the snow – and not leave a footprint – I want to walk in the snow – and not soil its purity.” Het had over mijn gevoel op deze bergpas kunnen gaan, maar tragisch genoeg ging het over anorexia, een van de vele neurosen waar de betreurde gitarist Richey James aan leed. De sneeuwvlakte links is wel degelijk het pad.

Meer foto’s: klik!
Fietsvakantie – 31 mei tot 28 juni 2008
Ik was al door Orval gereden die ochtend van mijn tweede vakantiedag, maar een degustatie hoefde niet. Orval doe je bij stoofvlees, voor de rest blijf je daar gewoon vanaf. Even voorbij de Franse grens kwam ik voorbij dit prachtige huis. In een volgend leven koop ik het, met belofte het nooit te scheren.

Op 3 juni heb ik mijn tent opgeslagen in Gérardmer, aan de voet van de Vogezen. Een fletse zon is mijn bondgenoot als ik het heldere maar behoorlijk koude water verken. De volgende dag zou het op de top van de Ballon d’Alsace (1171 meter) net niet vriezen. De Ballon blijft een topcol om het klimwerk onder de knie te krijgen: met zijn 9 kilometer aan 7% is het een niet al te lange, niet al te steile en vooral zeer geleidelijke klim met prachtige haarspelden.

De Frans-Zwitserse grens is een smalle kloof tussen twee cols. Er is een restaurantje waar je ijs met whisky kan eten maar daarvoor is het te koud. Aan deze kant van de rivier ligt de Col de la Vue des Alpes (1283 meter). In mijn afstudeerjaar fietste ik dezelfde weg in omgekeerde richting op mijn terugtocht uit Spanje. Veel zicht op de Alpen krijg ik niet, want de top van de col ligt volledig in de wolken.

Mijn tent staat opnieuw aan een meer maar het is te koud om te zwemmen in Interlaken. Ik gebruik warme haardrogers om mijn sokken droog te krijgen na een uitgeregende dag. In Zwitserland heb ik de zon nauwelijks gezien, laat staan de mooie bergpassen in de regio. Interlaken is dood, op enkele Oranjegekleurde campings aan de andere kant van het centrum na. Toen geloofden ze er nog in.

Een foto waar mensen die niet graag klimmen waarschijnlijk bij huiveren. Op 8 juni klom ik tweemaal een eind boven de 2000 meter. Elk stukje weg, van links kronkelend naar rechts, moet ik op het moment dat ik deze foto neem nog overwinnen. Ik had geluk met het weer, want de bergpassen waren enkele dagen gesloten geweest. Klimmen is een passie, maar 50 kilometer bergop is toch wat te veel van het goede. Ik krijg een hongerklop en kom daarmee in het rijtje van de echte groten net na Miguel Indurain en Jan Ullrich. De beloning achter de bergtoppen is een 50 kilometer lange, geleidelijke afdaling naar Italië.

Aan de Italiaanse grens hebben ze pijn aan hun goesting en mag ik gewoon doorrijden. Ik kom nochtans uit een land buiten de EU en kan er ongeschoren best uitzien als een stuk krapuul dat twee fietstassen vol drugs en Zwitserse kaas vervoert. Jammer genoeg zullen de Italiaanse chauffeurs even aandachtig blijken als hun grensbewakers.

Vanuit Como kan je naar de binnenste punt van het gelijknamige meer rijden via een eerder smal weggetje. Daar verscholen ligt Bellagio, een poepchique oordje waar de beau monde graag mag toeven. Zelf giet ik mij er vol wijn en sterf zeven doden op het bergje naar de camping. ’s Nachts onweert het er hard genoeg om de paarden in de stal naast mijn tent onrustig te houden en dus moet ik de volgende dag als een lijk op weg naar Bergamo.

Wegens de verkeersdrukte in Noord-Italië besluit ik terug richting bergen te trekken. Langs het Iseomeer klauter ik langzaam richting Dolomieten. Ik word voorbijgevlamd door een paar wielerploegen, onder hen de Letse beloftenkampioen of tenminste iemand die scherp afgetraind staat en een wielertruitje heeft waarop deze titel prijkt. Het zal niet de laatste wielerploeg zijn die ik in Italië tegenkom.

Op vrijdag 13 en zaterdag 14 juni speel ik Girootje en beklim met de Passo Gavia (2652 meter) en de Passo dello Stelvio (2760 meter) twee van de zwaarste en mooiste hellingen in Europa. Moet er nog eens eentje komen zagen dat je geen ronde kan rijden zonder doping. Op de Gavia word ik voorbijgevlamd door een groepje renners van Liquigas met een volgwagen. Hier is de Giro een week voordien gepasseerd en zie je wel wat gekalkte wegteksten voor Riccò en Sella, twee intussen geschorste helden. De meeste supporters heeft echter nog altijd de mythe Pantani. Het doet mij onderweg wel iets om al die opschriften te lezen voor de renner waarvoor ook ik nog uitbundig gesupporterd heb in mijn jonge, domme jaren. Euh, zonder doping ja …

Ik rijd op een frisse en regenachtige dag door Oostenrijk. In Duitsland rijd ik naar Ingolstadt aan de Donau, de Dommel van het Oosten. Even voor Kehlheim moet je een veerbootje nemen naar de overkant en daar gaat plots de zon schijnen. De lol is echter van korte duur want nog voor het Kehlheimse kieken driemaal gekakeld heeft, zijn mijn sokken al weer gedrenkt in vers regenwater. Gelukkig is er de Donau, een rivier die ik ooit nog wel eens volledig wil affietsen.

De Donau volg ik tot in Regensburg omdat ik ervan overtuigd ben dat het daar gaat stoppen met regenen. De foto toont dat ik gelijk heb, het regende tot een uurtje voor Regensburg. Na een landelijk omwegje neem ik het Main-Donaukanaal via Nürnberg naar Bamberg. Ik word tegen wil en dank verliefd op Duitsland en maak mijn eerste hittedag van de vakantie mee op 19 juni. Onderweg sop ik even in het kanaal om af te koelen.

Niemand bezingt de bierfeesten zo mooi als Raymond, niemand zingt Ramona mooier dan het Duitse gezelschap op de foto. Op de bierfeesten in Lohr-am-Main sla ik een paar lokale pilsen naar binnen en verlang stiekem terug naar een gitaar in mijn pollen. Later wil ik ook met een groepje oude zakken en een zangeres die daar zeer appetijtelijk tegen afsteekt langs parochie- en andere achterafzalen toeren met een setje nummers uit de jaren ‘50. Zou dat over vijftig jaar nog bestaan, de jaren ‘50?

Aan de Rijn twijfel ik even of ik een lokale cuvée Rik Daems zou meenemen. In de verte verzucht de Lorelei echter mijn verstand te laten spreken en niets tegen betaling van liberalen af te nemen. Als ik bij ons in de Delhaize ooit deze Rijnbrol van Rik Daems tegenkom, zal ik voor onze pa een fleske of zes meenemen. Een keurmerk, dat laat je niet liggen.

Langs de Rijn rijd ik op 25 juni een rit van meer dan 180 kilometer naar Keulen door de gietende regen. Tijdens een onweer met wolkbreuk zet ik mij langs de kant van het fietspad en laat de douche over mij heen komen. Een bui of twee later sta ik te schuilen in een tramhalte in Bonn en schiet daar deze foto.

Vanuit Keulen is het niet meer zo geweldig ver tot thuis. Ik volg de Rijn tot in Wesel, doe een schietgebedje aan Onze-Lieve-Vrouw van Kevelaer en pik een stukje Nederland mee. De voorlaatste halte is Overpelt. Terugkomen op bekende wegen zorgt altijd voor gemengde gevoelens. Vlak voor ik Limburg binnenval, komt de eerste lekke band van de vakantie na meer dan 3000 kilometer, ergens aan het jaagpad langs het kanaal in Weert. Het is tijd om thuis te komen, zo zegt ook mijn fiets.

Meer foto’s: klik!
Schotland – Winter 2007
Het is te lang geleden om nu nog exacte herinneringen weer te geven, maar de foto’s brengen wel de sfeer terug. Ik houd van het mysterieuze, het donkere en treurige Schotland. De dreigende wolken, de ruwe munro’s en de peilloos diepe meren van stilte. Dit is een beeld van Loch Oich, met zicht op de Great Glen fault line.

Dit is een foto van Loch Ness vanop de Corrieyairack Pass, een heuvel op Wade’s Military Road nabij Fort Augustus. Ik houd van de dreiging en duistere krachten die in de wolken lijken te zitten. Ik herinner mij van de tocht dat het zeer hard waaide en ik een paar keer tot aan mijn knieën in waterige modder wegzonk.

Onderweg naar Inverness wordt het weer wat beter, de laatste twee dagen kon ik zelfs in mijn t-shirt wandelen bij een aangename 10 graden. Inverness ligt aan de droge kant van Schotland – wat heet droog … – en de wind blaast bijna voortdurend, behoorlijk stevig overigens, van Fort William naar Inverness. Zeer fijn als dat de richting is die je aanhoudt. Deze foto van Loch Ness is gemaakt tijdens de eerste wolkenloze zonsopgang van de tocht.

Haggis, neeps and tatties. Het traditionele Schotse recept voor de Burns’ Supper, een belangrijke feestdag ter ere van Scotland’s favourite son Robert Burns, is een absolute must aan het einde van een tochtje Schotland. Een glas whisky en een zwaar biertje van het vat als gezelschap: a man’s a man for a’that!

Lezersbriefjes