Ik fiets even om een broodje

Dertig kilometer fietsen is een hele tijd om na te denken maar soms is het niet genoeg. Dus sloeg ik wat zijwegen in, aan beide zijden van de Adour. Het was warm. Niet te warm om te fietsen, nog niet, maar dat zou het wel kunnen worden. Hoe laat was het eigenlijk? Het kon niet later zijn dan half tien.

Ik rekende. Zo laat boven op Hourquette, zo laat in Arreau. Eten. Dan de Aspin, zo rond een uur of één. Of zou dat te warm worden, zo rond een uur of één.

Als er vragen komen, wijzigen de plannen altijd. Ik maakte een lijstje. Grotendeels dezelfde weg terug als in het heengaan. Dat is een minpunt. De Aspin in de middaghitte, zeker een minpunt. Broodje.

Het broodje was het kantelpunt. Ik ken in Arreau een goede bakker met heerlijke koffiekoeken maar geen goede sandwicherie. Ik had mezelf afgesproken dat ik een broodje zou eten ‘s middags. In Luz-Saint-Sauveur is een heel lekkere sandwicherie. Dus.

Trouwens, de Tourmalet is een stuk zwaarder dan Hourquette en Aspin, maar samen is het ongeveer gelijk. Toch? En je moet toch één keer per maand de Tourmalet beklimmen in de korte periode dat hij open is, niet? En beter een zwaardere beklimming nu het nog relatief fris is dan twee lichte waarvan eentje in de middagzon.

Dus ging ik mezelf dingen wijsmaken. Als je op meer dan veertig kilometer uitkomt aan de voet, rijd je Tourmalet. Als die gast voor mij Tourmalet opdraait, rijd je Tourmalet. Of als je die kerel inhaalt voor Sainte-Marie-de-Campan, rijd je Tourmalet. Zolang je kan sjoemelen met de voorwaarden, kan je jezelf alles opleggen. Ook de Tourmalet.

Ik reed geen snelle beklimming want het was de bedoeling dat ik mijn langste rit zou maken. Meer dan 130 kilometer, dan moet je geen zotte dingen doen bergop. Maar er was dat Britse trio. Ze sprintten me voorbij op de eerste flanken, waar het eigenlijk nauwelijks bergop gaat. Ik wist toen al waar ze zouden doodgaan – in de flauwe bochten na de eerste lange galerij, zo vlak voor La Mongie – en ik wilde dat graag meemaken. Ik versnelde een beetje, hield ze in het vizier zo’n anderhalve minuut voor me.

Ze vertraagden. Ik vertraagde. Het meisje loste en ging nog voor de waterval voor de bijl (nog bijna tien kilometer te gaan). In de haarspeld kon ik de tweede horen vloeken. Hij stond bijna stil op de plaats waar Eugène Christophe ooit te voet stond (nog zeven kilometer te gaan). In de galerij raapte ik de laatste op. You’re okay, vroeg ik. Just lowering the pace for a bit, zei hij. A bit? The worst is yet to come. (Nodig mij uit op een feestje.)

We waren nog niet in La Mongie en de grote lol van deze beklimming zat er op. De grote lol is namelijk het sterven van de zwanen. Ik trapte door, maakte wat grappen met de fotografen. Reeds van ver doe ik teken dat ik hun foto’s niet hoef, dat ik ze toch niet koop, maar ze trekken ze toch. Moeten zij weten.

Ik deed mijn truitje dicht, daalde af. Rustig, nergens sneller dan toegelaten, hoewel dat op de Tourmalet gemakkelijk kan want het wegdek is er magnifiek en de wegen bijna bochtenloos. Op wat haarspelden na hoef je de remmen niet aan te raken. Ik at mijn sandwich, dronk geen bier want er is enkel Heineken.

De laatste zeventig kilometer zat de wind vooral in het nadeel. Het werd warm. Ik was blij dat ik niet op de Aspin zat, dat ik niet de grote lol was van een of andere dwalm die niet liever ziet dan mensen die zichzelf overschatten, of een col onderschatten of liefst nog een combinatie van beide. Dat soort mensen, daar moeten wij hier niet van weten.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Wolken voor een blauwe geest

Ze vond dat ik mij er nogal rap vanaf gemaakt had, van dat blogje van onze vakantie. Kan zijn. Laat ik voor deze dan maar wat meer tijd nemen, want het gaat een zware bevalling zijn.

Het ding met ons, en misschien nog meer met Lin dan met mezelf, is dat we zwart-wit zijn. Uitgesproken in alles, moeilijk om te praten, onmogelijke omdenkers. Denken vele mensen. Terwijl we naar ons eigen gevoel wispelturig zijn, onzeker en onwetend, elke dag in verse sneeuw stappen.

Zowat twee jaar geleden beslisten wij als koppel niet langer een kinderwens te hebben. Daar waren twee miskramen aan vooraf gegaan, miskramen die kwamen na tweemaal een weg die ook al niet meteen over rozen liep. De gesprekken van toen kan ik me soms nog woord voor woord voor de geest halen. Veel draaide, in mijn geval, om de vraag of je op deze wereld, in deze samenleving waarin ikzelf met zo weinig enthousiasme meedraai, wel een kind moet willen zetten. Na jaren tobben en twee miskramen luidde het antwoord: nee.

We hadden daar best vrede mee. Kinderen kwamen en gingen in ons leven, of ze bleven omdat het kinderen van familie of vrienden zijn. Nooit leverde ons dat echte emotionele kluwens op – of geldt dat vooral voor mij? Ja, we werden en worden beide horendol van dat hele geniet-ervansfeertje op sociale media, dat rotvervelende genieten-met-de-kids, de ooooh-rozerozerozewolklitanieën. Maar ik denk dat die ergernis los stond en staat van onze eigen kinderwens die we bij het huisvuil hadden gezet.

Tot er dus dat ene koppel kwam, met dat kind. Dat Lin plots voelde: het kan wel normaal, voor zover wat wij normaal willen beschouwen enigszins in de buurt van de sociale norm komt. Gewoon, een leuk koppel met een leuk kind dat op een normale manier met dat kind omging. Dat Lin toen zei: misschien wil ik wel een kind. Wil ik wel nog eens proberen.

Misschien had het ook gewoon niets met dat koppel en dat kind te maken, maar kan je dat gewoon wetenschappelijk verklaren door een hormonenspiegel op drie cijfers na de komma te meten.

Ik wist het allemaal niet.

Gemakkelijker bleek het niet geworden. Het was een beetje zoals bij de comeback van Lance Armstrong: het ging minder eenvoudig dan we gehoopt hadden. Of zou het eigenlijk wel kunnen, zou het niet gewoon zo zijn dat het medisch niet mogelijk is? We wisten het niet. We wisten ook niet waar onze grens lag. We hadden altijd gezegd: geen medische weg. Maar hadden we ook niet ooit gezegd: geen kind?

Er kwamen ook kwade dagen van, die waarvan je ooit beloofd had dat je ze ook samen zou doorstaan. Er was ook zoveel, vaak te veel. We verkochten een huis, waren een dikke maand dakloos, verbleven ver van het huis dat we niet hadden bij ouders, kochten een nieuw huis, gingen daar in alle kamers tegelijk werken.

We maakten plannen, plannen voor de goede dagen die ook weer komen als je maar een beetje volhardt. In die plannen zat nooit een kind. Dat zijn de momenten waarop je op je hoede moet zijn.

Het was de ochtend dat we voor het eerst vrienden in huis hadden, ze kwamen enkele dagen over tussen twee voetbalmatchen van het EK. Ik kwam van de bakker. Naast het bed, op het nachttafeltje, lag een stripje dat ik al twee keer eerder had gezien, met een tweede streepje – altijd als er volk is, zei ze, het kan nooit eens als we gewoon onder ons zijn. (Ik had het streepje ooit gezien op de dag dat we mijn schoonmoeder van de luchthaven haalden, en later in de garage nadat ik, opnieuw, van de bakker kwam met croissants voor de gasten in de chambres d’hôtes.)

We gingen zwijgen, negen maanden. Negen jaar desnoods. Het moest niet onmogelijk zijn om mensen gewoon in te lichten als het ding eenn rijbewijs haalde, we wonen ver genoeg.

Dat is niet gelukt. Ik had het gekund, Lin niet. Ik ga dan ook maar door zowat zeven procent van de emoties waar zij door gaat.

We waren in het ziekenhuis vanochtend, voor de echo van twaalf weken. Dat is een soort veiligheidszone, een fietspad afgesloten van de drukke rijbaan door een grasperkje met bomen. Er kan nog vanalles gebeuren maar de echt gevaarlijke kruispunten zijn achter de rug. Zeggen ze.

We keken naar het ding. Het was gegroeid, dubbel zo groot als de vorige keer. We zagen voeten en armen. In dat waterhoofdachtige hoofdje bleken hersenen te groeien – het lijkt ook een beetje op mij. Het hart klopte, zoals mijn hart klopt in de laatste kilometer van de beklimming van de Tourmalet. Er was een ruggengraat, een maag. Het geslacht was nog te vroeg, zei de dokter.

Het ding zwom. Dat is een goed teken, zei ik, dat het ding zwom. Waarschijnlijk de vier maal tweehonderd crawl, alleen, bij gebrek aan medezwemmers.

Dat moest er uit. Lin zette iets op facebook, daar komen dan honderdenzoveel reacties op. Pure prostitutie, zei ik. (En dat ik haar zou terugpakken op mijn blog.)

Ik ga daar heel eerlijk in zijn: de laatste twaalf weken zijn niet de gemakkelijkste uit mijn leven geweest, en ook niet de gemakkelijkste uit mijn huwelijk. Er is geen roze wolk in huis. Er is de angst, angst uit onwetendheid en de ergere variant uit ervaring. De angst werd groter na de eerste echo, toen iets leefde, nog groter na de tweede echo, toen dat iets een enorme waterkop leek te hebben – enorm dan voor een boontje van een dikke twee centimeter – en je aan jezelf moet toegeven dat het iets gewoon een mensje in de dop is.

Angst ook om iets te zeggen. Vorige keren waren we te vroeg geweest, moesten we dingen weer terugnemen, in een geval zelfs de dag zelf, toen mijn ouders net aankwamen na een lange en gelukkige autorit. We waren te vroeg omdat we het ook zo belachelijk vonden en vinden, het liegen – want dat is wat het is, wanneer je negatief antwoordt op een vraag die je positief zou moeten beantwoorden.

Deze keer hebben we wel gelogen, even toch, een paar keer. Tot we het niet meer uithielden en we er gewoon bij zegden: maar je kent onze geschiedenis. Het is te vroeg.

Naast de angst was er ook het fysieke ongemak. Niet bij mij, uiteraard niet, maar het straalde uit. Dat Lin tegen me zei: ik vind het gewoon niet leuk, dat hele zwanger zijn. Dat het zo erg was dat zelfs de grapjes niet meer konden.

Dat je daar ook te weinig bij stilstaat, dat de kwade dagen soms gewoon de dagen zijn waarvan iedereen je voorspiegelt dat het de goede zijn. En dat ook op die dagen je enkel bij elkaar terecht kan, hoezeer je misschien ook nood hebt om even niet bij elkaar te zijn.

En dat nog zeven maanden. Zeven ja, want Lin telde altijd tien maanden zwangerschap. Dat ik zei, waarom doe je het niet gewoon op negen, zoals al die andere? Maar is er dan iets wat wij doen zoals al die andere?

Zeven maanden zullen wij dus met ons hart in onze handen lopen, bang om alles te breken. Dan is er misschien het ding, zal het een geslacht hebben. Een naam.

Nou, nee. Die naam. Nog zoiets. Je kan een mens toch geen naam geven zonder hem te kennen? Misschien geef je gewoon de verkeerde naam, gaat die mens een heel leven moeten vechten tegen die naam.

Nee, niet de naam. Ook daar wachten we even mee, tot aan het rijbewijs.

Geplaatst in Leven | 8 reacties

Op vierdaagse

– Ik heb beslist, zei ze. We vertrekken morgen.

Ik was net thuis van het werk, onze missie in de supermarkt zat er op. De ploegbazen hadden nog een biertje betaald en toen waren we vertrokken. Ik wilde mijn T-shirt uitwringen, het zweet van me afdouchen en gewoon in de zetel gaan liggen. Dat is ook wat ik deed. Zij legde dingen klaar.

Een groot plan was er niet. Gewoon een paar dagen weg, met de auto richting Spanje. De hond moest mee, dat ging niet anders, er was geen opvang. We vertrokken zaterdagochtend. Ik laadde tassen in, een matras, dekens. Op het laatste moment nam ik ook een fototoestel mee. Enkele uren later, op een brug in Hendaye, in de buurt van het huis waar Pierre Loti – een Franse zeevaarder over wie ik enkele boeken las – zijn laatste adem uitblies, bleek dat ook het fototoestel zonder lucht zat. Pech, er zijn geen gepixelariseerde herinneringen aan onze reis. Uit ervaring weet ik dat een reis zonder foto’s in herinneringen echter enkel mooier wordt.

De stranden in de buurt van Saint-Jean-de-Luz waren overvol. Bovendien waren honden niet toegelaten. We beperkten ons tot wat wandelen, een hapje eten, ik plonsde toch even de zee in maar keerde op mijn stappen terug omdat ik zelfs door branding en joelende kinderen heen de hond hoorde jammeren.

We reden richting Spanje, de Jaizkibel op. Bijna op de top maakten we kamp voor de nacht, aten een picknick en keken naar de ondergaande zon boven de oceaan en de reflecties op de bergkammen. Beneden lichtte de baai van Hendaye op, boven werd het fris. We sliepen in de auto, op de matras in de koffer. De hond sliep vooraan op de passagierszetel.

Bij het krieken wandelde ik met de hond verder de Jaizkibel op, helemaal tot aan de ruïnes van de castillo, waar paarden stonden te grazen. Ik passeerde de grafmonumenten van de oude schaapherders van de Jaizkibel en probeerde de hond tussen de kudden te leiden zonder ze in beweging te brengen. Beneden zag ik de baai van San Sebastian, onze bestemming voor deze zondag.

In San Sebastian, de stad waar ik ga wonen als ik rijk ben, is altijd iets te beleven. Vorige keer was dat het filmfestival, deze keer het wereldkampioenschap voor eenwielers. Terwijl ik de golven trotseerde, gingen de renners van start voor de marathon. Ik droogde op in de zon op de dijk en zag de eenwielers passeren. Sommige gingen bijzonder snel, andere pakten het voorzichtiger aan. Het lijkt me zo’n typisch gezellig besloten milieu, dacht ik, tot ik een Amerikaan een onvoorzichte autobestuurder de hel hoorde toewensen. Geen enkel besloten milieu is echt gezellig, denk ik.

Aangezien ook in San Sebastian de hond niet op het strand mocht, reden we voort richting Pamplona. De stad was broeierig, mensen hingen rond zoals mensen in het Baskenland altijd lijken rond te hangen: zich lavend aan pintxos en bier aan de vele barretjes in de stad. We stonken. De openbare douches waren echter gesloten. We hielden siësta in de auto, in de schaduw op een parking. Ik las verder in mijn boek – Les Bienveillants van Jonathan Littell.

In de vooravond kwamen we weer buiten. We zouden pintxos gaan eten. De juffrouw van de Dienst Toerisme had twee straten aangeraden waar de barretjes goedkoper waren. Op deze twee straten zaten enkel wat jongeren wiet te roken en bier te drinken. De pintxos zagen er verlept uit. In de dure straten waren de pintxos overigens ook weer niet zo duur. Lin was een beetje verbaasd door het advies van de juffrouw.

– Wat wil je, had ik gezegd. Je hebt gezegd dat we een parking zoeken omdat we in de auto slapen. Toen ze webadressen gaf, zei je dat we geen computer of tablet hebben en toen ze naar de wifi verwees dat we geen smartphone hebben.

Pamplona bleek een leuke stad, minder leuk dan San Sebastian en niet leuk genoeg om te dromen er ooit te gaan wonen, maar leuk zonder meer.

Lin wilde nog een laatste dag om gewoon te luieren dus namen we een camping vlak voor de Franse grens, aan de Compostelaroute. We zwommen in het koude zwembad, aten een menuutje, lazen nog wat, wandelden in de bossen.

(Ja, echt spectaculair zijn ze niet, onze vakanties. En we hebben niet eens fotomateriaal om het tegendeel te doen geloven. Maar San Sebastian en de Jaizkibel, dat is echt mooi. Daar moet je echt eens naartoe.)

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Lost in the supermarket

Ik had nog nooit in een supermarkt gewerkt. Nu wel. Niet voor een supermarkt, wel in. Ik werk voor een interimkantoor dat mij uitzendt naar een bedrijf dat mij uitzendt naar een hypermarkt in de buurt. Zo gaat dat. Er zijn twaalfendertig managers nodig om vier à zeven mensen aan het werk te zetten.

Vier à zeven, ja. We zijn begonnen met zeven. Na de eerste dag werden twee mensen bedankt voor bewezen diensten. Dat is een beleefde manier om te zeggen dat ze onvoldoende gepresteerd hebben om hun minimumloon te verantwoorden. Goed ja, hun minimumloon en de twaalfendertig andere stukjes koek die aan dat minimumloon blijven kleven. In ieder geval: niet bedankt, dus. En diensten werden ook als niet bewezen ingeschat, vermoed ik. Een paar dagen later volgde een derde die ook niet meer hoeft terug te komen. Ik vrees overigens nog voor een vierde, maar morgen zullen wel vervangers komen.

Wat wij doen, is niet geweldig moeilijk maar je moet er dat getergde hoofd een beetje bijhouden. We vervangen etiketten. Dat gaat als volgt: we verwijderen alle oude etiketten. Die zetten we voor de producten want ze moeten wel op elk moment zichtbaar blijven voor de klanten – ja, we werken tijdens de winkeluren. Dan zetten we nieuwe rails op de rekken. Op die rails zetten we etiketten: elektronische vervangen we door nieuwe elektronische, promo-etiketten krijgen een nieuwe drager in de nieuwe rail. Als elk etiket vervangen is, gaan we met een zappertje door de rekken en scannen elk product. Als we de zapper dan naar het computerlokaal brengen, heeft in het beste geval elk product een prijsbepaling op het nieuwe etiket. (Het beste geval bestaat niet, er moeten altijd wat rechtzettingen gebeuren. Dat is niet erg. Fouten maken mag. Maar niet teveel, want dan word je bedankt voor bewezen diensten.) Ten slotte verwijderen we de oude etiketten, sorteren de hele boel en gaan naar het volgende rek.

Het is best leuk werk, voor de paar weken dat het zal duren. Ik werk met Mehdi, een jongen die net van school is. We werken goed samen. We beginnen elk in een hoek en werken naar elkaar toe. We zetten elkaars fouten recht. Goede ploeg, zeggen de twee ploegbazen.

Ook de werkinhoud gaat erop vooruit: op dag één stond ik bij dierenvoeding en later bij vis in blik. Dag twee ging op aan babyvoeding en klaargemaakte maaltijden in de frigo – er zijn meer variëteiten dierenvoeding dan babyvoeding en meer variëteiten babyvoeding dan klaargemaakte maaltijden. Dag drie gingen we van brood naar frisdrank naar wijn. De week eindigde met de rekken sterke drank. Het kan alleen maar beter gaan.

Je werkt, zoals vaak, in cirkeltjes: telkens dezelfde taken in dezelfde volgorde. Ik denk dat we dat in de sociologie onder taylorisme zouden rangschikken. Beter dan fordisme, fordisme is saaier en van saaier worden de werkuren taaier en moeilijker te verteren.

Ik geraak wel eens in een taylor’s high, een variant van de runner’s high. Dat je gewoon je taken doet en de wereld rondom je vergeet. Je zou het een vorm van actieve meditatie kunnen noemen, als je dat wil, maar ik weet niet of je dat nu echt moet willen. Etiketten verwijderen, rails ordenen, rails vastschroeven, etiketten plaatsen, zappen, etiketten opruimen. Fijne dagbesteding, ik zou het best wat langer willen doen.

De overuren gaan beter betaald worden. Dat heb ik nog niet vaak meegemaakt, dat overuren beter betaald worden. Hetzelfde wel, of slechter, of niet: dat wel. In de landbouw was niet eerste keuze. Nu ze beter betaald zijn, zit niemand in met overuren. Vrijdag deed iedereen er met de glimlach twee. (Iedereen, dat zijn degene die nog overblijven na de slachting.)

Uiteraard is het niet de bedoeling om in dit ondercircuit van de betaalde arbeid te blijven hangen, dan hadden we ook in de Gers kunnen blijven. Maar het is nu eenmaal nodig om even aan de slag te zijn, in de wachtkamer van de trein naar betere tijden. Intussen is het gewoon weer een extra vinkje op de lijst voor de competitie van de meest gevarieerde CV.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Sacochenhondenmevrouwen

Je hebt zo van die vrouwen die op een bepaalde manier hun sacoche vasthouden. Vastklemmen zou vaak een beter woord zijn. Ze duwen de sacoche tegen hun maag, met de ellebogen strak naar buiten, op een manier die zo hard smeekt om de sacoche niet te trekken dat je bijna zin krijgt om ze te trekken.

Op dezelfde manier nemen sommige mensen, ook weer vooral vrouwen – van middelbare leeftijd overigens, dat is ook statistisch aantoonbaar – hun hond vast. Hondje, meestal. Het gaat meestal om kleine hondjes.

Wanneer ik met de hond in het park ga spelen, kom ik ze weleens tegen. Meestal is Rein enkel in haar balletje geïnteresseerd, moet ik gewoon even tussen mijn tanden fluiten en het balletje tonen en legt ze haar aandacht honderd procent bij mij, of toch bij dat balletje. Soms is Rein echter ook in een sociale bui, en met soms bedoel ik hier meestal, en gaat ze andere honden groeten.

Je ziet meteen welke mensen dat okee vinden en welke niet. Degene met de sacochenhouding, die vinden het niet okee. Ik vind het raar dat mensen angst hebben voor Rein, ze ziet er allesbehalve agressief uit, maar goed. Je kan de angst voor honden ruiken, tientallen meters ver, en als je neus verstopt zit dan zie je hem. De angst, bedoel ik, de hele houding straalt zuivere angst uit.

Elle n’est pas méchante, roep ik dan.

Die zin heeft meerdere functies. In de eerste plaats laat ik weten dat onze hond een teefje is, geen reu. Dat stelt sommige mensen gerust – sacoche los. Ik laat ook weten dat onze hond geen kwade bedoelingen heeft, maar dat heeft weinig effect op de sacochenhondenvrouwen. Dat is een beetje zoals een Marokkaan die roept dat hij niet gevaarlijk is: mensen die denken dat alle Marokkanen gevaarlijk zijn, ga je enkel bevestigen in dat idee door te roepen dat het niet zo is. (Mensen die denken dat alle Marokkanen gevaarlijk zijn, zijn idioten. Maar de huidige berichtgeving suggereert dat de idioten aan het winnen zijn.)

De belangrijkste functie is echter naar Rein toe: door dit zinnetje te roepen, weet Rein dat ze niet naar de hond mag. Het heeft wat tijd gekost maar nu lijkt ze het ook echt door te hebben. Mijn zinnetje kondigt aan dat er bij die hond weinig fun valt te rapen. Het heeft tijd gekost, en vooral ook wat ervaring, maar Rein begint mij op mijn woord te geloven.

Ze heeft het natuurlijk moeten ondervinden, dat de honden van sacochenhondenvrouwen gewoonlijk zo asociaal zijn dat er niet valt te snuffelen, af te tasten, wat rondjes te draaien en al zeker niet tien minuten achter elkaar rennen op het veld, met verlies van de speelbal waarvoor ik altijd het halve middenplein van het park moet afkammen.

In die zin kan ik mezelf niet op de borst kloppen dat ik onze hond geleerd heb om niet naar sommige honden toe te gaan. Het is de hond die zichzelf gesocialiseerd heeft, zoals het meestal de hond is die zichzelf dingen aanleert en wij die gewoon volgen. Mijn naam is net om die reden Roept z’is, omdat we merkten dat telkens als Lin Roept z’is riep de hond naar mij kwam en het gemakkelijker is om die naam gewoon te behouden dan een nieuw commando aan te leren.

De sacochenhondenmevrouw deze ochtend probeerde zich achter de vuilbak te verbergen met haar hondje. Elle n’est pas méchante, riep ik, en het leek of de vuilbak groter werd of de mevrouw achter de vuilbak zich kleiner maakte. Rein, die halverwege de mevrouw was, keerde op haar stappen terug. Ze pakte het speelballetje waar ze het had achtergelaten en legde het tussen mijn voeten. Ik gooide over het plein, ze trok een sprintje. Ik denk dat de sacochenhondenmevrouw hetzelfde deed in de andere richting. Weg was ze.

Geplaatst in Leven | 8 reacties

Een lawine aan woorden

Heb ik ooit verteld over het columnboekje? De bundeling van mijn columns voor Apache? Kan bijna niet anders maar laat ik het toch even doen. Ooit, lang geleden, heb ik dus twee jaar columns geschreven voor nieuwswebsite Apache. Meer dan honderd weken lang, elke week een stukje maatschappijkritiek. Ik deed dat onbezoldigd en plichtsgetrouw, twee eigenschappen die mij wel typeren.

Na die twee jaar was ik mezelf zo beu gehoord dat ik voorstelde te stoppen. Dat was op de eerste redactievergadering die ik ooit bijwoonde, in Antwerpen. Ik was daar toen om te spreken over een bundeling van mijn columns, omdat ze op de redactie vonden dat er een waardevol verhaal in zat. Ze zouden het zelf gaan uitgeven.

Waarom niet bij EPO, vroeg ik.
Wil je dat dan?, was het antwoord.

Ja, wilde ik dat? Ik was geen vragende partij voor dat boek, die bundeling. Zij waren vragende partij en ik was best geflatteerd. We spraken af dat ik voor de tekst zou zorgen: een kritische lezing van mijn columns en commentaren, samengebracht binnen enkele aansluitende thema’s. Een cartoonist zou cartoons maken bij enkele stukjes. Hij had voorbeelden gemaakt, ze deden me denken aan de Vlaamse Primitieven.

(Ja, eigenlijk wilde ik dat wel. Dat iemand met wat gezag naar een uitgeverij zou stappen die past bij dat verhaal. Een progressieve, maatschappijkritische uitgeverij met wat kennis van zaken. Een bedrijf waar ook tijd zou zijn voor mijn werkstuk, waar het niet tussen de soep en de patatten …)

Bij Apache gaven ze mij vertrouwen: dit zou goedkomen. Dit zou gewoon een mooi boekje worden, een stuk waar we trots op zouden zijn. Ik was, laat het mij matig uitdrukken, laaiend enthousiast.

En naïef, uiteraard ook zeer naïef. Vele uren stak ik in het samenstellen van de bundeling. Ik ging niet enkel met mijn columns aan de slag maar ook met de commentaren die ik in de lezersreacties had geschreven.

Ik doodde mijn kinderen. Als je schrijft, moet je ook kritisch met je eigen schrijfsels omgaan. Ik deed de ballast weg, hoe gehecht ik aan sommige stukjes ook ben. Wat niet in het verhaal paste, sneuvelde.

Ik verdeelde alles in zes hoofdstukken die echt een verhaal vertellen, een verhaal van mijn zoektocht in het leven en de manier waarop ik naar onze samenleving kijk. Ik begon zelfs te denken dat het eigenlijk best een lezenswaardig boekje werd.

Lang verhaal kort: door omstandigheden is er niets van gekomen. Ik leverde de tekst in bij Apache, ruim voor de deadline en kreeg geen antwoord. Apache breidde uit, ik kreeg nog wel een informeel berichtje dat uitstel geen afstel was, maar dat was het wel.

Ik wachtte.

Kijk, ik ben geen mercantiele geest. Ik houd me niet bezig met de verspreiding van mijn schrijfsels, met er proberen geld uit te slaan. Ik kan dat niet. Het ligt niet in mijn aard, strookt niet met mijn karakter, behoort niet tot mijn capaciteiten, … Ik kan dat niet.

Hoe lang zijn we nu verder? Twee jaar? Ik heb het niet bijgehouden. De bundeling columns zit hier nog altijd in een mapje op mijn computer. Hij is niet gedateerd, ik bedoel daarmee dat de columns eigenlijk niet gedateerd zijn. Ik heb altijd koppig geweigerd om heet van de naald in de waan van de dag te schrijven. Ik gebruikte hoogstens de actualiteit om systeemkenmerken aan de kaak te stellen, en systemen wijzigen zo snel niet. Maar de bundeling is wel gedateerd in die zin dat mijn naam als opinieschrijver volledig in het zwarte gat is verdwenen.

Dat is niet erg. Maar de laatste tijd begonnen steeds meer mensen mij aan te moedigen om toch mijn ervaringen op de arbeidsmarkt en de conclusies die ik er uit trek op te schrijven. Een Franse buurvrouw nog, twee weken geleden. Zij gaf de doorslag.

Ik ben naar de bib gegaan, las in één ruk Le Quai de Ouistreham -vert. De bodem van de pan – van Florence Aubenas uit en ben gaan schrijven. Want in tegenstelling tot het halfjaar van Aubenas, buig ik op vijf jaar bodem van de pan. En in tegenstelling tot haar verhaal gaat het niet om een journalistiek project maar om een echt leven.

Ik heb een tekstdocument aangemaakt. Notepad, zo eentje zonder opmaak. Ik gaf het de titel Wanhoop genoeg. Ik ben vier dagen geleden beginnen typen. Het verhaal rolt uit mijn vingers en abnormaal is dat niet. Ik heb er al zo vaak over geschreven, alles zo vaak gewikt en gewogen. Het zit gewoon vers in mijn kop, als een lawine die moest losbarsten.

Daarnet heb ik voor het eerst mijn tekst geplakt in een woordenteller. 17 500 woorden heb ik getypt. Vraag het na aan mensen die voor de kost schrijven: dat is gigantisch veel. Ik ben er zelf ook door verbaasd.

Ik heb mezelf tot het einde van deze maand gegeven om het verhaal af te werken. Waar ik uit zal komen, weet ik niet. Of er iemand interesse in heeft nog minder. Wat er ook gebeurt, met deze tekst wil ik meer doen.

En die bundeling columns? Misschien smijt ik die een dezer dagen wel gewoon ergens op deze blog. Dan is het werk toch niet helemaal verloren. Zonder tekeningen, maar dat mag je mij niet kwalijk nemen.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Een idioot denkt maar het halve verhaal

Er zijn twee manieren waarop je vanuit Tarbes de lus over de Tourmalet, 125 kilometer stoempen, kan aanpakken. Je kan de korte kant pakken: 20 kilometer vals plat naar Bagnères-de-Bigorre, een kilometer of twaalf vals en minder vals plat naar Sainte-Marie-de-Campan, heuveltje over en dan 55 kilometer naar huis, waarvan de laatste 30 gaan tegensteken wegens vlak, soms vals plat omhoog en vaak een windeke op de kop.

Je kan de lus ook omgekeerd maken. Dan rijd je 55 kilometer waarvan enkel de laatste 15 echt gevoelig vals plat zijn, heuveltje over en het lange vals plat omlaag naar huis, meestal ook wel met de zware adem van God op de neus.

Vandaag reed ik mijn eerste lus van hopelijk nog vele. Het was de negentiende keer dat ik de Tourmalet beklom, ik weet dus wel waar ik aan toen ben. Thuis vulde ik twee bidons met water, in eentje deed ik een bruistablet uit het buisje met vitaminetabletten dat Lin in de winter soms gebruikt. In een folietje wikkelde ik vier stukken peperkoek. Ik weet, daarmee kom ik er wel door. Onderweg een of twee keer een bidonnetje water tanken en we zijn weer het heertje.

Een maat van me, een onderlegd en deskundig sportcoach, vindt dat waanzin. Ik doe het niet altijd zo hoor, op de Soulor zal ik vaak stoppen aan de chalet omdat de broodjes kaas er zo lekker zijn. Dan doe ik er meteen ook een pintje bij. In Luchon at ik na Peyresourde en Superbagnères, voor ik nog een tweede keer de Peyresourde over moest, ooit een smakelijke mitraillette met twee blikjes Kronenbourg. Breakfast for champions!

Ik koos voor de lange aanloop en dat was een juiste keuze. Goei benen, geen meter echt ongemakkelijk op de fiets gezeten. Ja, je moet natuurlijk even Lourdes passeren en dat is een wolkenkom. Als er wolken zijn in Zuid-Frankrijk dan verzamelen die op een bepaald moment allemaal boven Lourdes. Ze plakken aan de omliggende heuvels. Het voelt alsof ze elk moment aan je wielen kunnen gaan kleven.

Eens voorbij Lourdes kwam de zon erdoor, wat dus vaak zo is. In de Gorges de Luz had ik al pijltjes gezien van een of andere cyclosportieve, op de eerste flanken van de Tourmalet begon ik de kneusjes in te lopen. Mensen die te voet stonden, sommige nog op de fiets omdat ze het niet wilden toegeven maar sommige ook echt te voet, klikkend op hun fietsschoentjes. Grappig was het te zien hoe een van die wandelaars en twee fietsers gewoon gelijke tred hielden.

Het is zomer dus de laatste kilometers van de Tourmalet zijn vergeven van fotografen. Ik had mooi ingedeeld en dus goei benen, ik ben er zeker van dat ik lachend op elke foto sta. Behalve die in de laatste tweehonderd meter misschien, omdat dat net in dat heel steile knikje van een procent of veertien is. Kijk, na achttien en een halve kilometer klimmen, kan je dat toch net even missen. Dat het steilste stukje van de klim net in die laatste honderden meters ligt, is puur sadisme.

Ik deed een windstoppertje zonder mouwen aan, hoewel dat eigenlijk niet echt nodig was, en zette me in de afdaling. Mensen die al met mij de bergen in gingen, weten dat ik eerder conservatief daal. Liever vijftig per uur zonder een enkel risico dan zestig per uur en af en toe kunst-en-vliegwerk. Ik kan dat wel hoor, sneller dalen, ik heb het ook al wel gedaan in de afdaling van pakweg de Aspin, die ik blind kan rijden, ergens begin april of einde oktober, wanneer daar echt geen ander verkeer meer is.

In de zomer moet je echter in de afdalingen niet willen patsen, tenzij je de Tour rijdt. Toch heb je altijd dat soort mensen. Altijd. Altijd als ik in de zomer op Tourmalet kom, zie ik dwazen de berg af dazen. Op Tourmalet is het erger dan elders omdat de naam van de col dat soort dwazen aantrekt, als vliegen op een stront.

Na twee kilometer afdalen, stak een man mij in een haarspeldbocht langs rechts, de binnenkant, voorbij. Dat is niet zomaar gevaarlijk, dat is levensgevaarlijk. Het is onverwacht, onnodig en volstrekt debiel. Oy! riep ik, of iets in die stijl. Twee bochten verder haalde hij de twee renners voor me in, ook in een haarspeldbocht, ook rechts binnenkant. Ook zij riepen iets.

In La Mongie, na vier kilometer dalen, verloor ik de man uit het oog. La Mongie is immers bebouwde kom en een toeristenval, een beetje zoals Naamsestraat in Leuven vlak bij de Grote Markt. Mensen steken er over, lopen er rond, nemen foto’s, letten niet op. Ik ga altijd behoudsgezind door La Mongie. De zot verloor ik uit het oog.

Na La Mongie volgt een stukje steile weg zowat rechtdoor naar beneden. Je komt er gemakkelijk op snelheid maar duikt ook de eerste lange galerij in. De bocht in die galerij ziet er flauwer uit dan hij is, weet ik uit ervaring, en dat je vanuit de scherpe zon plots een donker vlak in fietst, doet de veiligheid ook geen goed. Bovendien is dat een galerij, een vochtig hol waar het wegdek toch net iets vaker …

Ja kijk, je weet wel waar ik op aanstuur.

Hoewel bij het buitenrijden van La Mongie echt niemand in de buurt van mijn achterwiel fietste, hoorde ik zevenhonderd meter verder op zowat dertig meter achter mij remmen piepen. Iemand riep, er was geschraap over het asfalt. De knal viel mee – de rechterkant van de galerij is een muur. Tegen zeventig per uur is het daar, zo mag ik aannemen, onaangenaam mee kennismaken.

Ik kneep mijn remmen dicht, keek achter me. Tout bien, riep ik, en overschouwde de situatie. Een groepje van vier, zelfde outfit als de vorige zot. De man die tegen het asfalt was gegaan vloekte en bewoog.

Eikels. Meer dacht ik niet. Eikels. Ik zette mijn tocht voort. Op de laatste stukken voor Sainte-Marie-de-Campan, wanneer de afdaling een bijtrapafdaling wordt, sprak ik kort met de twee mannen voor me. Teamgenoot van die andere zot, zei ik. Ze knikten. Idiotas, zeiden ze.

In Sainte-Marie vulde ik mijn bidonnetje. Er kwamen deelnemers aan de cyclosportieve voorbij, ook een groepje van drie met een shirtje dat ik eerder had gezien. De vierde zat vermoedelijk al in een volgwagen.

Ik vraag me af of hij zichzelf nu gelukkig prijst dat hij, en vooral ook de andere wielertoeristen in zijn buurt – pakweg, ik – het er levend vanaf hebben gebracht. Iets vertelt me dat hij maar de helft van dat verhaal zal denken.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

De allerindividueelste expressie

De badkamer is uitgebroken. Gedurende twee weken hadden we gasten en bijgevolg de werken in huis stilgelegd, maar nu schieten we weer in actie. De badkamer is uitgebroken dus hebben we geen douche meer. Dat is niet erg, we hebben het zwembad waar we kunnen douchen.

Uiteraard, want gebeurtenissen klitten altijd op de meest onhandige manier samen, ging het doorspoelmechanisme van het tweede toilet stuk. We hadden nu niet enkel geen douche, we hadden ook geen toilet. Het zou nog even duren voor de doehetzelfzaak opende. Na de ochtendkoffie nam ik dus een oude Humo en ging naar het park.

Ik ga graag naar openbare toiletten. Dat is een afwijking, vindt mijn vrouw, maar het is, denk ik, een kleine afwijking. Soms ga ik voor het plezier naar het openbare toilet in het park, op mijn slippers wandel ik met een boekje over het voetpaadje van huis het park in. Geen tweehonderd stappen en ik zit op het toilet.

Openbare toiletten in de grotere steden van Frankrijk worden geregeerd door software. Ze zijn zelfreinigend en je krijgt maximum een kwartier. Na dat kwartier wordt het reinigingsmechanisme in gang gezet, ongeacht je staat van paraatheid. Ik denk dat het gewoon een manier is om landlopers weg te houden tijdens de nacht.

De toiletten zijn ruim en redelijk comfortabel. Ze zijn zelfreinigend maar dat wil niet zeggen dat ze proper zijn. Zeker niet het toilet in het park, dat ligt er soms degoutant bij. Niet altijd, soms. Die ochtend viel in de categorie soms.

Ik stapte de cabine in en voor mij, tussen de toiletpot en de bak waar je je handen kan reinigen – zeep, water en droogblazer – lagen twee hoopjes drol. Het eerste en grotere hoopje was bedekt met wat papier. Het tweede, kleinere hoopje lag open en bloot naar mij te staren.

Terwijl ik op de toiletpot zat, staarde ik naar de twee hoopjes drol. Ik probeerde me in te beelden of het mensen- dan wel dierenuitwerpselen waren. Het eerste leek me het meest waarschijnlijk. Ik stelde me de mens voor die gehurkt de twee hoopjes uitwerpselen op de vloer van het toilet had achtergelaten. Ik probeerde me er een gedachtegang bij in te denken.

Het is niet de eerste keer dat in het toilet van het park een hoopje uitwerpselen op de vloer wordt achtergelaten. We kunnen niet uitsluiten dat het hier om een seriewildkakker gaat, of er zou sprake kunnen zijn van copycatgedrag. Misschien was het iets anti-establishment, of een kunstwerk – de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Nee, een kunstwerk is uitgesloten. Het kan hoogstens plagiaat van een kunstwerk zijn geweest.

Intussen bleef de Humo gesloten op mijn schoot liggen. Na enkele minuten begon de geur van de twee drollen op de vloer van het toilet mij tegen te steken. Ik zou opnieuw niet het kwartier halen, dat was duidelijk. Na mijn behoefte nam ik wat papier uit de verdeler. Ik raapte eerste de grote hoop op en deponeerde hem in het toilet. Daarna raapte ik de kleine hoop op en deed hetzelfde. Ik maakte wat papier nat en probeerde de achtergebleven vlekken op te poetsen. Dat lukte niet, het papier was daarvoor te dun.

Ik reinigde mijn handen met zeep en water en herhaalde dat nog eens. Met de Humo in de hand stapte ik opnieuw naar huis. Het is geen tweehonderd stappen van het toilet in het park tot aan de deur van mijn huis. Ik zou het bijna mijn toilet kunnen noemen, ware het niet dat in mijn toilet ‘s morgens nooit hoopjes drollen op de vloer liggen.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Bij de barbier

Er waren weer vijf maanden gepasseerd dus moest ik dringend naar de kapper. Mijn fietshelm zat niet meer goed op die haarbos, het leek of mijn zwemmuts ging scheuren. Oh ja, en ik zag er niet meer uit, maar dat interesseert mij maar matig.

Ik woon nu in een nieuwe stad en ik moest dus ook een nieuwe kapper. Het liefst ga ik naar de Paki. Dat is een verzamelnaam die ik gebruik voor het soort goedkope, mannelijke kappers uit mediterraanse contreien. Ja, Pakistan ligt helemaal niet in mediterraanse contreien, maar ik vind het een leuke naam en als ik het een beetje definieer … Okee, het slaat op geen hol, maar iedereen weet wat ik bedoel, toch?

De Paki-kapper is een mannelijke kapper – een barbier, laat hij zich tegenwoordig noemen. Vroeger in Leuven had je de Paki in de Brusselsestraat, een Irakese Koerd meen ik mij te herinneren. Nu heb ik dus eentje van dat kaliber in Tarbes gevonden. Je kent dat wel. Zeer goedkoop, zeer snel, zonder afspraak, binnen en buiten in een wip en een vloek, geen gezeur over koetjes en kalfjes.

forrestDe belangrijkste instrumenten van de Paki zijn, in deze volgorde: de tondeuse, het scheermes, de kam en de schaar. De Paki doet slechts één kapsel, laten we het voor het gemak de Forrest Gump noemen. Kort opgeschoren rond de oren met daarboven een soort van bloempotje. Okee, dat kapsel kan in varianten: de bloempot is soms langer, soms loopt hij als een hanenkam door tot in de nek, hij kan hoog of heel hoog op het hoofd staan. Ik observeerde het werk van de twee kappers. De vier mannen voor mij, een zwarte en drie mediterraanse types, gingen elk na ongeveer een kwartiertje met een Forrest Gump naar buiten, elk met hier en daar een tierlantijntje. Intussen kwamen twee anderen binnen. Salaam aleikum zeiden ze bij het binnenkomen en gaven de twee kappers een hand. Daarna zeiden ze bonjour tegen mij en gaven ook mij een hand. We keken naar het voetbal, een herhaling van een of andere match van de avond voordien.

Ik ging ook een Forrest Gump krijgen, dat was duidelijk. Ik zei, niet te kort rond de oren, daar ben ik te blank voor. De kapper nam zijn tondeuse en zocht het hulpstukje dat er voor zou zorgen dat ik als enige die dag niet kaal rond de oren zou buitenstappen. De wol die mijn haar in die vijf maanden is geworden, vloog alle kanten op. Tien minuten later was mijn haar kort. Het was zelfs niet eens een echte Forrest Gump geworden.

Het scheermes werd uitgehaald. Mijn baard werd bijgeschoren. Ook aan mijn slapen en op mijn voorhoofd werkte de kapper mijn kapsel bij. Dat is het leuke aan de Paki: als je haar niet zo goed op je hoofd past, scheren ze het bij tot het er wel op past. Het kostte nog een paar minuutjes om mijn haar weer op mijn hoofd te doen passen.

Na de scheerbeurt, een schaar is er nauwelijks aan te pas gekomen, ging de kapper mijn haar wassen. Zo gaat dat bij de Paki: eerst scheren, dan wassen. Je moet immers haren vooral niet wassen vlak voordat je er een tondeuse in wil zetten. Gel mocht ik zelf doen, of als ik het niet zelf wilde doen, wilde hij het wel doen. Ik zei dat ik geen gel hoefde, ik doe nooitvanzeleven gel in mijn haar, ik haat dat zelfs. Ik zei dat ik toch doorfietste naar het zwembad. Als je gaat zwemmen, hoef je geen gel.

Na de kapbeurt kreeg ik van beide kappers een hand. Ik rekende af en vertrok met de fiets naar het zwembad. Het is best fijn een nieuwe kapper te hebben. Ik zie er nu uit als de goedkopefilmversie van een Albanese koppelbaas. Dat is veel stijlvoller dan de goedkopefilmversie van een Armeense kindermoordenaar. Dat vindt mijn vrouw ook.

Geplaatst in Leven | 4 reacties

Niet alle verzuim is verzuimverzuim

Okee, dat berichtje van gisteren verdient een snelle opvolging. Voor iedereen zich weer vanalles begint voor te stellen …

Je moet ze wel een dag geven, zei ik, maar zij hing al aan de telefoon. Neenee, mevrouw, fouten waren er zeker niet gebeurd. Nee, die 4 500 euro waren echt wel juist. Dat had dus te maken met kosten voor het overzetten van de hypotheek, daar kwamen officiële documenten bij kijken. En nee, dat wordt inderdaad niet in een akte opgenomen, en …

Afijn. Het overzetten van een hypotheek kost drie telefoontjes en ruim 2 000 euro aan administratieve kosten. 300 euro voor de bank. Nog eens 115 euro voor de bank om een toelating te geven aan de stagiaire-secretaresse om in naam van de bank één document te ondertekenen. Een dikke 1 600 euro voor de notaris. Bovenop de gewone notariskosten, dat spreekt. Dat is altijd zo, alleen is er niemand die je dat zegt voor je je eigen rekeningen gaat nakijken.

Die overige 4 500 euro dienden om eventuele kosten die de staat kan opvorderen te dekken – nooit eerder iets over gehoord. Nu had de staat niets opgevorderd dus kon dat geld terug naar ons. En of dat dan niet vreemd was dat net toen ik hen contacteerde bleek dat … Neenee, zo werkt dat niet. Wij leggen uw dossier aan de kant en omdat u gemaild heeft, zijn we dat gaan nakijken en hebben we gezien dat we dat geld kunnen terugstorten.

Dus als je daar niet achter vraagt … Ja dan komt dat geld echt wel hoor, ergens tussen Sint-Juttemis en kermis in de hel waarschijnlijk.

Er zijn omstandigheden waarin het zonder verdere verklaring achterhouden van geld dat je niet toebehoort tot de categorie diefstal wordt gerekend. Of dat er schuldbemiddelaars aan te pas komen. Er zijn ook omstandigheden, blijkbaar, waarin dat normaal en gebruikelijk en geheel volgens de geldende procedures is. Weer iets geleerd. Niet elke vorm van verzuim is schuldig. Ik denk zelfs dat we kunnen besluiten dat niet elke vorm van verzuim verzuim is. Dat er, om het even samen te vatten, verzuim is maar ook verzuimverzuim.

En dat, geheel zoals Lin vanuit haar ervaring uit de dienst-naverkoop ooit heeft gesteld, je zonder gigantisch uit je krammen te schieten echt wel nergens komt. Het systeem dat daarmee in stand wordt gehouden, … Och, dit verhaal kent u al wel.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Het lijden van de niet meer zo jonge Herman

Ik had al even in de gaten dat er iets niet klopte met de financiën. Er was door de notaris een bedrag gestort en dat bedrag kon ik op geen enkele manier rijmen met bedragen die ik zelf berekende. Zoals steeds, met alles, schoof ik het voor me uit. Ik kon me best voorstellen dat het gewoon even duurt, die afhandeling van de notaris. Engelse vrienden die hun huis verkochtten, hadden ook weken en weken moeten wachten.

Het zou wel komen. Geregeld keek ik op de bankrekening naar het bedrag dat zou komen. Het bedrag kwam niet. Om dat probleem te verhelpen, ging ik minder op de bankrekening kijken. Het probleem leek kleiner maar weg was het niet.

In mijn hoofd had ik de mail al opgesteld, waarin ik beleefd zou vragen hoe dat nu eigenlijk zat. Honderden keren zelfs, zoals je vroeger een belangrijke wedstrijd in je hoofd al honderd keer gezwommen had voor je hem moest zwemmen. Ik typte de mail, wiste hem opnieuw, typte hem opnieuw en wiste … Vorige week verstuurde ik de mail, waarin ik vroeg of ik even de berekening van het gestorte bedrag kon inkijken – en, zeer voorzichtig, of het eventueel mogelijk was dat een voorschot over het hoofd was gezien?

Ik was lang met die mail bezig geweest, ik had de bedragen uitgespeld, elke handeling gedateerd. De mail die ik terugkreeg, bevatte een hoop bedragen en berekeningen. En dat het voorschot zeker niet over het hoofd was gezien, en dat rekening houdende met eventuele bedragen die de staat nog zou terugeisen, maar uiteindelijk niet had opgevraagd, …

Ik zou 4 500 euro krijgen. Binnen de 72 uur. Nu, 144 uur later, is van dat bedrag nog geen spoor. Een bedrag overigens dat voor ons bijna een derde van een jaarinkomen betekent, wat Jan Becaus vast als gene kattenpis zou omschrijven. Ik kan dat bedrag niet meer negeren, de bankrekening ongeopend laten. Lin is op de hoogte. Zij vraagt elke dag: bedrag al gestort? Nee? Nu moet je echt wel …

Dus ging ik weer door de mails, door de rekeningen. Ik kreeg kop noch staart aan die 4 500 euro. In de hele berekening die de notaris, of toch zijn boekhoudster, mailde, komt dat bedrag ook niet voor. Er staat gewoon een hoop bedragen onder elkaar, met verwerkingstekens, die uitkomen op het reeds gestorte bedrag.

Elk bedrag in de berekening kan ik thuisbrengen, behalve dat ene waar een asterisk achter staat. De asterisk staat voor: kosten die de staat nog had kunnen opvragen maar niet heeft opgevraagd. Dus 4 500 euro, besluit de mail. Maar dat bedrag slaat dus nergens op. Als ik de notariskosten in de verkoopsakte vergelijk met het bedrag met de asterisk, dan kan op geen enkele manier het verschil 4 500 euro zijn. Er blijft dan nog steeds zowat 1 500 euro zoek. En het feit dat ik voor kosten voor de staat, onder dezelfde noemer, reeds 115 euro betaalde buiten de akte om.

Misschien zijn er bij een verkoop zaken die niet op papier staan maar achteraf wel in rekening worden gebracht, maar waarom is dat dan? En waarom was dat niet zo bij de aankoop van ons vorige huis. En waarom wordt dat bedrag dan verborgen achter een asterisk met een kleine legende die even nietszeggend is als dat sterretje zelf.

Er is, om het even kort te zeggen, stront aan de knikker.

Mijn probleem is dat ik er niet eens kwaad van word. Ik zou kwaad moeten zijn, razend zelfs, ik ken het menselijke register. Ik zou razend moeten zijn omdat ten eerste ik recht heb op geld van een notaris en, zonder actie van mijn kant, dat geld waarschijnlijk nooit gestort zou zijn; ten tweede ik een berekening krijg die nergens op slaat omdat een bepaald bedrag gewoon voor een asterisk staat waar alles en niets achter zou kunnen schuilen. Razend ook wel omdat bij een huiskoop alles op papier staat, dacht ik, en wat niet op papier staat op voorhand grondig uit de doeken wordt gedaan door de persoon die in naam van de overheid optreedt. Quod non.

Maar ik ben dus niet kwaad, ik word van dat soort dingen niet kwaad. Ik word van die sjacherij diep ongelukkig. Dat is hoe ik in elkaar zit. Dat is ook de reden waarom ik het wegduw, waarom ik de bankrekening ongeopend laat, waarom ik twee maanden wacht vooraleer ik een mail verstuur. Ik word ongelukkig omdat ik voel dat iemand het spel niet eerlijk speelt, en in dat vermoeden ook word bevestigd. Alle hoop die ik had gevestigd op een fout, een vergetelheid, een vertraging, wordt grandioos de grond in getrapt door de bevestiging, pixel op scherm, dat het niet daarom gaat. Dat het gaat om hoe de wereld werkt, namelijk dat de wereld aan de klootzakken is.

Grow up, hoor ik u zeggen – hoewel, zou hier echt nog iemand meelezen de denkt dat ik gewoon een loser ben die dringend een beetje volwassen moet worden? Is het niet zo dat mijn trouwe lezers intussen wel weten hoe en waarom ik aan de wereld lijd? Misschien is dit inderdaad mijn peterpansyndroom: mijn weigering om volwassen te worden als volwassenheid vooral betekent dat je moet meezwemmen met de haaien.

Ik ben geen haai, ik ben gewoon een jongen in een zwembroek. Ik zwem in open zee maar ik zou mezelf zo graag wijsmaken dat het niet zo is, dat ik gewoon ronddobber in mijn meertje, ergens tussen de heuvels, in een uithoek van de wereld waar haaien niet meer zijn dan sprookjesfiguren.

Zolang ik weiger de wereld te accepteren zoals hij is, kan ik nog alle kanten uit, niet? Want de dag dat het niet meer zo is, fiets ik zonder remmen de Aubisque af. Vijftig meter val ik diep, mijn hart staat stil – en verder niets.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Oedipus en de zeven stopcontacten

In de literatuur is vadermoord een weerkerend thema. De zoon moet steeds de competitie met zijn vader aangaan, en liefst winnen, om – ja, waarom eigenlijk? In ieder geval is dat eerder een literair thema dan een gids voor het ware leven, althans dat van de getrouwde man. De getrouwde man moet, meer nog dan zijn eigen vader, de vergelijking met zijn schoonvader doorstaan.

– Als hij dit zag, zou mijn papa misschien toch denken dat je wel iets kan behalve boeken lezen.

Zo wierp ze het mij ongeveer toe. Je moet weten, de grote werken in huis zijn bijna voltooid. Vooral de twee slaapkamers waren behoorlijk lastig. Lagen en lagen behangpapier verwijderd, een vinylvloer en een vast tapijt verwijderd, verfwerken uitgevoerd. Daar is weinig aan, het kost gewoon tijd.

Elektriciteit dan. Bij elk stopcontact of elke lichtknop die ik losdraaide, een nieuw kunstwerkje. Soms stak er een vrij logische bekabeling in. Soms kreeg je gewoon vier blauwe draden. Of drie rode. Dan wordt het gokken. Je bekijkt het oude stopcontact en probeert met het nieuwe, dat in geen enkel opzicht op dat oude lijkt, iets gelijkaardig te fabriceren. Tot het werkt.

Vloeren. Laminaat leggen, nooit gedaan. Drie youtube-cursussen gevolgd. Theorie geen probleem. Dan het leggen zelf. Het op maat zagen van de latten, met hoekjes en kiertjes. Plinten. Kijk, gigantisch ingewikkeld is het allemaal niet maar het vergt een zekere precisie, vooral in het omgaan met materiaal dat je net gekocht hebt en waarvan je de Franse en voor de zekerheid ook de Koreaanse handleiding met enige moeite doorploegd hebt.

De waarheid is dat ik er geen ervaring mee heb, met het klussen. (Als mijn moeder eerlijk is, gaat ze hier in de reacties niet verklaren dat wij thuis wél klussers zijn, want dat zijn we hoegenaamd niet. Ja, onze pa heeft ook wel eens iets zelf gedaan, met goed gevolg zelfs, maar echte klussers? Nee.) Mijn ervaring in het klussen als tiener: verfwerken. Vooral als straf als ik weer eens een kot in de nacht thuis was gekomen na het boemelen. Om half vijf in bed, om zeven uur eruit gelicht om voor de derde keer die zomer het tuinhuis te verven. Of bij gebrek aan beter bij mijn grootouders de garage een laag wit te geven. Wij zijn geen klussers. We hebben het materiaal niet, de kennis niet, de tijd niet – nou, ik wel natuurlijk – en meer dan dat de goesting niet.

Dat is dus anders bij Lin. Mijn schoonvader kan zowat alles, maak ik op uit haar verhalen. En het is ook zo: hij kan je uitleggen hoe je moet tegelen, wat de valkuilen bij laminaat zijn, hoe elektriciteit werkt, hoe je een gat in een steunmuur maakt en beton mixt en … Dat gaat dan zo. Ik doe iets in huis. Lin komt kijken. Ze zegt iets in de stijl van, onze papa zou … En dan kan ik meestal opnieuw beginnen. Lin vindt dat normaal, dat een man vanalles kan, maar dat is niet zo. Dat is een fout in haar opvoeding. Een foute opvoeding die ze op mij heeft willen overbrengen, waardoor ik nu niet alles kan, maar toch al een beetje meer dan voordien.

Nu is dus vanalles klaar. Niet alles, maar veel. Zij kan in huis rondlopen en zeggen dat het er mooi uitziet, dat zelfs haar ouders waarschijnlijk wel hun goedkeuring zouden geven. Ik zie enkel de fouten. De lat laminaat die drie millimeter te ver ligt. Het hoekje van de plint dat niet perfect aansluit. De lichtknop waarbij de aan- en uitstand omgekeerd zijn. Het binnenwerk van de kast dat niet perfect waterpas is. De verf onder het stopcontact …

Het probleem met klussen is dat je het eigenlijk eerst op een ander moet kunnen verkloten, daaruit leren en het vervolgens thuis goed doet. Meestal is het echter omgekeerd. Je verkloot het thuis, een vriend vraagt om je ervaring te delen en daar lukt het wel.

Je zou kunnen zeggen: doe het dan wel goed in je volgende huis, maar dat gaat niet. Mijn volgende huis wordt namelijk een tent.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Octave, de vriendelijke reus

De eerste zaterdag van juni wordt traditioneel de Tourmalet geopend. Le Géant, het standbeeld dat vaker Octave wordt genoemd naar Octave Lapize, de renner die in 1910 als eerste bovenkwam bij de eerste passage op de Tourmalet in de Tour de France, wordt vanuit het dal naar boven gereden. Dat gaat gepaard met fanfare, hapjes en drank. Voor fietsers is het een hoogdag – jaarlijks fietsen er een duizendtal mee. Ook ik.

Nochtans ging het slecht weer worden. Er werden buien voorspeld, onweer zelfs in de bergen. Ik bezocht een tweede weersite die iets vrolijker was. Ik bekeek de situatie uur per uur. Er zou in de voormiddag regen vallen maar niet veel, het zou pas tegen de middag slecht worden.

We moesten ook nog naar een feestje, op de noen, in de verre Gers. Er kwam een planning aan te pas. Ik zette de tocht uit in punten: een uurtje tot Bagnères-de-Bigorre, drie kwartier tot de voet als ik de stop bij de start van de Géant meerekende. Een uur driekwart tot boven … Dat is een trage tijd. Ik heb de Tourmalet al in een uur twintig beklommen, meestal rijd ik tussen het uur vijfentwintig en anderhalf uur. Anderhalf uur om terug te komen. Op de noen zou ik terug in Tarbes zijn en zo zouden we een half uur of zo te laat op het feestje arriveren.

Als het weer wat meewilde, uiteraard.

Ik stond om zes uur op. De lucht was bewolkt maar niet met het soort bewolking waar je meteen neerslag bij verwacht. Om zeven uur stapte ik op de fiets. Ik reed de steenweg naar Bagnères-de-Bigorre. Dat is een drukke baan, maar niet op zaterdagochtend. Rechtdoor, aldoor lichtjes bergop, dikke twintig kilometer. Ik deed er precies zevenenvijftig minuten over. Drie minuten voor schema.

Octave stond voor het hotel waar de start werd gegeven. De inschrijvingen waren net geopend, de eerste groepjes fietsers vertrokken. De meute vertrekt pas rond een uur of negen, het zijn de traagste fietsers die veel vroeger vertrekken. Ik nam een paar gebakjes en een halve koffie.

Ik had gehoopt bij een groepje aan te sluiten naar Sainte-Marie-de-Campan, de voet van de Tourmalet. Dat lukte niet. Ik fietste solo door de vallei, die steeds nukkiger bergop loopt. In het wiel van een groepje had ik energie kunnen sparen, nu voelde ik die energie langzaam uit mijn lichaam trekken. De hemel ging langzaam open, de zon sloeg neer. Net voor de voet, op het laatste wipje naar Sainte-Marie, aan de voormalige smidse waar in 1913 Eugène Christophe zijn voorvork herstelde, sloot ik toch bij een groepje aan. Enkele honderden meters verderop, aan de voet, stopten zij.

Ik reed door en zocht een rustig tempo. Na drie en een half uur, om half elf, zou ik boven moeten zijn. Ik raapte enkele groepjes van drie of vier renners op. Nog op het zachtlopende stuk voor Gripp sloot ik aan bij een koppel met roze shirtjes – de club van Nogaro. Vorig jaar reed ik met Philippa, mijn Engelse fietsvriendin, samen de Géant. Zij reed bij de club van Nogaro, in die rare roze shirtjes. We praatten wat, over Philippa en over de redenen waarom zij terug naar Engeland verhuisde. Ik verloor tijd. In Gripp besloot ik opnieuw wat tempo te zoeken.

In de laatste elf kilometer col, kwam ik nog één renner tegen, die zwalpend door de galerijen zwoegde. De galerijen boden wat bescherming tegen de steeds feller stekende zon. Voorbij La Mongie stonden campers. Een man riep tegen zijn makkers, geleund tegen hun koersfiets, dat het zo zwaar toch niet kon zijn, als je mij zag klimmen. Ik heb dat vaker gehoord. Ik klim blijkbaar altijd soepel, het lijkt moeiteloos te gaan, hoewel het vaak traag gaat en behoorlijk wat inspanning kost. Ik ben een valse snelle als het op klimmen aankomt.

Ik had kunnen versnellen in dat laatste stuk, ik reed immers niet eens tien per uur, maar ik besloot het niet te doen. Ik zat op tijdschema en er restte nog een lange weg terug. De klim kostte me een uur veertig minuten. Op de top stond nog niets gereed van de feestelijkheden, wel waren mensen tafeltjes aan het klaarzetten.

Iemand zei, je ben de eerste, en dat is wat ik was. In een koers die nadrukkelijk geen koers is was ik de eerste op de top van de Tourmalet.

Ik vroeg en kreeg een half bidonnetje cola, het zakje met aandenken was nog niet gearriveerd dus vertrok ik zonder.

Ik hoorde een fezelgeluid. Kon niet! Mocht niet! Ik voelde aan mijn voorband, hard. Achterband ook. Ik plukte een steentje uit de voorband. Het fezelen ging voort – ik mocht niet lek staan. Lek staan zat niet in het schema.

Ik dacht aan het bidonnetje cola. Ik opende het dopje en de lucht ontsnapte. Cola in een bidon maakt hetzelfde geluid als een leeglopend binnenbandje.

De afdaling verliep eerst vlot. Ik zag de roze shirtjes uit Nogaro, zij moesten nog ruim drie kilometer klimmen. Het werd drukker. Zeven kilometer van de top, aan de gedenkplaat voor Eugène Christophe, kwamen rijkswachtmoto’s voorbij. Enkele honderden meters naar beneden, reed Octave Lapize. Op de groene vrachtwagen werd het standbeeld omringd door de fanfare, die de hele rit vrolijke deuntjes speelt. Trosjes renners volgden in zijn zog.

Ik daalde verder af. De bochten waren gevaarlijk omdat auto’s de groepjes fietsers wilden inhalen en daarbij mijn kant van het wegdek inpalmden. Ik begrijp mensen niet die nu, op dit moment, terwijl overal borden staan die aangeven dat het verkeer op de Tourmalet vandaag geregeld is wegens de vele fietsers, toch met de auto de berg op willen. Ik begrijp nog minder dat ze in hun ongeduld risico’s gaan nemen, risico’s die ze in andere omstandigheden fietsers zouden verwijten. Ik begrijp niet dat de auto niet geregistreerd is als dodelijk en dus gevaarlijk voorwerp. Mijn vingers werden stijf van het remmen.

Ik verloor tijd. Terug in Sainte-Marie-de-Campan vulde ik een bidon met water en dook verder langs de Adour. In de verte, in de richting waarin ik reed, zag ik dikke wolkenpakken hangen. Ik zette me in het wiel van een oudje dat stevig doorreed. Enkele keren dacht ik aan overnemen, op de opwippertjes omhoog, maar dan ging hij op de pedalen. Ik weet niet of hij dat lastig vond, dat ik in zijn wiel zat, maar besloot er op zo min mogelijk storende manier te blijven zitten.

Net voor het binnenrijden van Bagnères-de-Bigorre deed hij teken rechts af te slaan. Tien kilometer had ik in zijn wiel gezeten. Ik ging langs hem rijden en zei, merci chauffeur. Ik had willen zeggen, ik moet nog tot Tarbes dus ik heb me wat laten meezuigen, maar hij glimlachte en deed teken dat het wel goed was zo.

Ik reed de lange steenweg terug naar Tarbes. De zon ging op in het wolkendek. Eerst prikte ze er nog wat halfslachtig door maar even verderop wonnen de wolken het pleit. Ik reed twee à drieëndertig. Dat is niet zo hard, het gaat voortdurend lichtjes bergaf, een halve tot anderhalve procent of zo. De wind stond schuin op de schouders. Ik was om één voor twaalf thuis. Het was de hele voormiddag droog gebleven. Zo’n ochtend was het. Ook in de namiddag, in de Gers, bleef het verwachte noodweer uit.

Ik vertouw nooit nog weerberichten, zou ik afsluitend kunnen zeggen, maar de waarheid is dat ik dat voordien ook al niet echt deed.

Geplaatst in Leven | 5 reacties

They’re after my piano

Ik was met kortverblijf in België. Mijn broertje trouwde en ik was getuige. Lin was getuige voor de andere helft van de trouwboek. Gedoe, natuurlijk. Ik had geen geldig identiteitsbewijs. Nu hoor ik je denken: wat? Kan die nu nooit eens in orde zijn? Nee, dat kan ik niet.

Hoe zat dat ook weer? In oktober was ik getuige geweest voor een trouw in Engeland. Last minute had ik toen een voorlopig paspoort moeten laten aanmaken. De id-kaart was namelijk verloren, merkten we een week op voorhand, en dat krijg je niet in een wip en een vloek in orde. Gedoe. Ik kon uiteindelijk een voorlopig paspoort ophalen in Toulouse. Het zou zes maanden geldig zijn. Die zes maanden verstreken net een maand te snel.

Uiteraard had ik onmiddellijk een nieuwe id-kaart moeten laten aanmaken, maar dat deed ik niet. De moeite om ergens pasfoto’s te maken – zo’n hokjes vind je niet bij de deur in de Gers – en alle documenten op te maken, naar de post te gaan voor de juiste enveloppen, … Geen goesting in. Uitgesteld – geprocrastineerd, zoals dat in schoon academees heet. Toen werd het huis verkocht en zouden we een dikke maand geen adres meer hebben. Kwam daarbij de hervorming van de regio’s in Frankrijk, een verplaatsing van consulaire diensten met achterstand en …

Vijf weken, dat was te kort om een nieuwe id-kaart te krijgen. Dus opnieuw zo’n voorlopige om te overbruggen. Een terechtwijzing van het consulaat, want “het is niet de bedoeling” enzoverder. Zooi. Een dienstverlenende instelling mag een dienst niet weigeren omdat een burger nalatig is, toch? Ik weet het niet. Nalatigheid van een burger mag gestraft worden, maar door een dienst die een document moet uitreiken?

In ieder geval kan je een vervallen id-bewijs nog tot vijf jaar na vervaldatum gebruiken om je id te bewijzen. Hoorde ik ergens. Enkel wordt dat niet door elke overheidsdienst aanvaard. Dus. Ik kreeg een voorlopig paspoort, betaalde nog voor enkele consulaire papieren die onze woonst en afkomst bevestigden – want Franse gemeenten houden geen bevolkingsregister bij en het gemeentehuis wilde voor de trouw een uittreksel uit het bevolkingsregister … Een resem telefoontjes, wat mails, een dagje Toulouse. Alles in orde.

Stomme id-bewijzen. Heb je toch nooit nodig.

Werd er gisteren gebeld aan de deur. Drie rijkswachters. Ja meneer, we hebben een getuige nodig. Kan u even meekomen. Ik stond in verftenu. Zwart onderlijfke met verfstrepen, oude loopshort met verfstrepen, kousen met enorme gaten op de hielen en zwarte slippers. Een  getuige voor wat? Ik verstond dat woord niet.

Er bleken drie rijkswachtauto’s in de straat te staan, een achttal rijkswachters, één hond. We zouden een huiszoeking doen en aangezien de bewoners niet thuis waren, moesten er twee civiele getuigen zijn. Of ik kon meekomen. En een id-bewijs tonen.

Meekomen ging, een id-bewijs was moeilijker. Mijn vrouw heeft die immers op een vaste plaats opgeborgen, zodat ik ze niet kan kwijtspelen. Ik ga enkel nog kopies krijgen om mee te nemen, in de toekomst. Toekomst, ja, want mijn nieuwe id-kaart is na een kleine twee maanden nog niet opgeleverd. Ik ken die vaste verbergplaats niet. Bovendien is het huis een stal, want we zijn overal met werken bezig.

Dat zei ik. Het huis is een stal, we zijn met werken bezig. Pas verhuisd. Ik zou moeten zoeken naar een id-kaart. Ik heb wel: een carte vitale, een bibliotheekkaart, een zwemabonnement. Dat bleek ook te mogen.

We gingen binnen in het appartement tegenover ons huisje. Gelijkvloers. Daar woont een koppel van zowat onze leeftijd. We zeggen soms goeiedag maar dat is het dan. Ze hebben een paar oude auto’s, zien er eerder onverzorgd en alternatief uit. De hond ging mee. Mechelse herder. De rijkswachter gaf korte bevelen. Loss. Blijjjf. Allez viens.

Getraind in België, vroeg ik. Ja, dat klopt. Dacht ik al, zei ik. Bevelen in het Nederlands. Mechelse herder, toch? Een vroegere vriend van me traint Mechelse herders voor de politie.

We zwegen. De hond sprong op zetels, kasten, opende deuren. Kroop door de kamers, op het toilet. Ging de tuin in, waar ook een hond van de bewoners zat. Ik wist niet eens dat die een hond hebben, nooit gezien. Arm beest, dacht ik.

Het appartement stonk zoals een fakbar stinkt op vrijdagochtend. Vage alcohollucht, zware tabaksgeur. Ons huis is niet echt een stal in vergelijking met het appartement tegenover.

De hond jankte. Prijs, zei een rijkswachter. Op kantoor heb ik een heel precies weegschaaltje, ging hij verder. Dat was het dus. Op zoek naar verdovende middelen. Was te denken. Ik was blij dat we niet op zoek waren naar een lijk of een kelder waar kinderporno wordt gefilmd. Gewoon wat verdovende middelen.

De bewoners komen eraan, zei een van de rijkswachters. Als ze hier zijn, mogen jullie beschikken. Dat was vriendelijk, dat we mochten beschikken.

Uit de achterkamer kwam de rijkswachter met een gevuld zakje, zo’n herbruikbare tas van de supermarkt. Daarin zaten de verdovende middelen. De hond stootte een karaf van de keukenkast maar een rijkswachter ving ze in de vlucht. Toen we aan de garage begonnen, kon ik beschikken.

Terwijl ik de raamkozijnen verfde, zag ik de hond door de auto van de bewoonster jakkeren. Onze hond hield het in de gaten en kreunde zachtjes. Vast jaloers, wil zeker ook een job bij de rijkswacht. De vriend van de bewoonster kwam aangefietst. Hij bleef op zijn hurken voor de garagepoort zitten terwijl de huiszoeking werd afgehandeld.

De hond sprong op de plastieken tas die naast een combi stond. Het kostte enige moeite om hem te kalmeren. Daarna besloot een rijkswachter de tas in de combi te zetten.

Overburen kwamen intussen voor de vierde keer die ochtend hun brievenbus ledigen. Het kostte mij intussen reeds vijfentwintig minuten om het raamkozijn te verven. Ik maakte kleine foutjes.

Een slotenmaker arriveerde en zette een nieuw slot op de voordeur. De sleutel was voor de vriend van de bewoner. De eerste combi vertrok met de hond. Daarna vertrokken ook de andere combi’s, met de rijkswachters en de bewoonster. De vriend bleef achter en ging naar binnen.

In de namiddag kwamen enkele vrienden van het koppel langs. De garage werd geopend en opnieuw gesloten. Mensen namen spullen mee. Ik kreeg telefoon van de rijkswacht, of ze mochten langskomen om het proces-verbaal te ondertekenen. Het mocht. Ik zou zelfs een geldig id-bewijs kunnen voorleggen, maar echt nodig leek dat niet.

Misschien krijgen we binnenkort nieuwe overburen, zei ik tegen Lin. Misschien ook niet.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Te voet door de stad

Fuck. Dit … Godverdomme.

Juffrouw, heb je iemand hier een fiets zien meenemen? Hij stond hier naast je in het rek.
Euh …
Je zat hier, tien minuten geleden of zo. Ik heb mijn fiets hier gezet. Heb je iemand gezien?
Euh, nee, ik heb niks gezien.
Okee. Bedankt.

Hebben jullie iemand een fiets zien meenemen? Daar achter die boom. Hij was op slot, dus hij moet hem gedragen hebben.
Nee, niks gezien. Is hij gestolen?
Daar lijkt het op.
Shit. Was het een dure?
Nee, dat niet.
Okee. Maar het is gewoon klote.
Ja. Klote, dat wel.
Sorry man. Niks gezien.

Hey, zit jij hier al even?
Nee, ik zit hier net.
Heb je iemand met een fiets zien voorbijkomen?
Euh, ja. Ik denk het wel.
Te voet of fietsend?
Te voet, ja.
Een man?
Euh, ja.
Droeg hij die fiets? Het achterwiel omhoog? Mijn fiets is gepikt. Hij stond daar, in het rek aan die bomen. Hij was op slot …
Ja, ik weet niet. Ik kan dat echt niet zeggen.
Naar waar ging die man?
Gewoon, het plein over denk ik. Sorry, ik heb daar echt niet op gelet.

Goeiedag. Mijn fiets is zonet gestolen. Ik zou graag aangifte doen.
Aangifte? Nee, dat is niet hier. Dat is niet bij de gemeentepolitie maar bij de nationale politie.
Okee. Waar zijn die?
Gewoon het blokje om.
Sorry, ik woon hier nog maar drie weken. Waarheen juist?
Je gaat buiten, rechts. Dan aan de lichten rechts.
Dat is aan het postkantoor?
De post ja. Dan nog vijftig meter ofzo.
Bedankt. Prettige dag nog.

Goeiedag mevrouw. Mijn fiets is gestolen.
M.! Een gestolen fiets!
Wat?!
Gestolen fiets!
Factuur! Heeft hij de factuur bij?!
Meneer, heeft u de factuur van die fiets?
Nee mevrouw. Het is net gebeurd, een kwartiertje geleden.
U heeft die factuur …
Mevrouw, die fiets is meer dan tien jaar oud. Ik ben intussen minstens vijf keer verhuisd. Ik heb daar echt geen factuur meer van.
Ja, dan kunnen wij niks doen.
Hoezo?
Ja, een verzekering gaat daar niet in tussenkomen.
Wat? Daar had ik niet eens op gerekend. Ik wil gewoon die diefstal melden, als er ooit een fiets, of een deel wordt tergugevonden. Gewoon, een verklaring van diefstal.
Ik kan dat wel in het schriftje met gestolen fietsen schrijven.

[Krijgt telefoon. Probeert vier keer door te verbinden, lukt niet. Zegt iets over mensen die met verlof zijn. Telefoongesprek duurt een minuut of tien.]

Dus een fiets.
Een herenfiets, ja.
Welke kleur?
Grijs.
Okee, waar is hij gestolen?
Aan het gare routière, voor de CPAM.
Gesloten.
Gesloten. Hier is het sleuteltje.
Vandaag.
Ja, rond een uur of vier.
Welk merk van fiets?
Minerva.
Wat?
Minerva. Een klein Belgisch merk van fietsen.
Uitzonderlijke kenmerken?
[Ik heb die fiets twee weken geleden opnieuw ineengezet. Nieuwe V-remmen, nieuw achterwiel, nieuwe cassette met zeven versnellingen. Nieuwe remblokjes. Nieuwe derailleurkabel. Ik kan elk detail van die fiets opsommen.]
Vooral dat merk, denk ik. Minerva. Daar rijden er in Tarbes geen drie van rond. Gewoon, stadsfiets. Zeven versnellingen. Magnetische voor- en achterlichten. Maar die zullen er wel afgehaald worden, dat kan je nog verkopen.
Ja, daar moet je naar kijken. Leboncoin in het oog houden. Cash31, dat is een winkel op de baan naar Pau. Noz, daar durven ze ook wel eens gestolen goederen te koop aan te bieden.
Okee. En wat als ik hem daar tegenkom? Neem ik dan contact op?
Ja, dan neem je contact op met ons.
Okee, bedankt.

Pim, mijn fiets is gepikt.
Wat?!
Mijn fiets is gepikt.
Ja. Ik zeg dat je altijd een extra slot …
Da’s gewoon de zaken omkeren.
Wat omkeren!?
Ja. Ik heb mijn fiets gesloten, op een van de drukste plaatsen in Tarbes. Ik ben hooguit een kwartier binnen geweest. Daar lopen constant mensen af en aan. Die fiets is gestolen. Ja, met een extra slot misschien niet, maar dat is de zaken omkeren. Niemand zegt ooit als een auto gestolen wordt: ja, maar je had hem ook in een bewaakte parking moeten parkeren.
Ja, dat is wel waar. Maar het is stom.
Klote ja, lesje geleerd. Voortaan altijd een tweede slot. Echt klote.
Heb je aangifte gedaan?
Ja, in zoverre je dat aangifte kan noemen. Ze zeiden dat ik leboncoin in de gaten moet houden. En Cash31. Weet je wat ook? Noz.
Da’s die winkel …
Waar alle Engelsen gaan, ja. Omdat het zo goedkoop is. Straf, toch. Dat ze bij de politie zeggen dat je bepaalde winkels in het oog moet houden. Je zou denken dat zij dat doen, als ze weten dat daar vaak gestolen goederen staan.
Ja. Zot eigenlijk.
Ik heb op het plein ook gevraagd. Een meisje, aan haar iPhone geplakt. Die zat er met haar neus op. Niks gezien. Twee gasten bij een auto, maar die stonden er misschien maar net. Een jonge gast denkt dat hij iemand met een fiets heeft zien wandelen, maar die wist het eigenlijk ook niet.
Ik zou daar mensen wel op aanspreken, als ik ze met een fiets zie lopen met het achterwiel omhoog. Of minstens onthouden hoe ze er uitzien en waar ze heen gaan.
Ja, jij wel. Dat moet iemand zijn die het in de gaten houdt. Die heeft dat vaker gedaan. Je neemt zo’n fiets niet mee in een opwelling. Niet daar, op die plaats, op een uur dat voortdurend bussen aan- en afrijden.
Ja. Wat nu?
Ik dacht eerst: morgen een nieuwe kopen. Maar misschien eerst nog wachten. Ik dacht eventueel in Holland een fiets te gaan kopen. Donderdag, dan moeten we toch wachten op de trouwdag. Gewoon, een stevige stadsfiets. Zonder franje. Een versnelling, stevig frame. Iets wat niet opvalt en niet kapot kan. Geen rommel.
Kan dat in de auto? Dan moet de hoedenplank eruit.
Ja, dat zal wel lukken. Jammer van het geld. Tachtig euro nieuwe onderdelen, halve dag aan gewerkt, twee weken plezier aan gehad. Fuck.
Och ja, ik ben al lang blij dat het niet de tandem is …

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Je moet je motivatie tonen wil je evolueren

Je hebt wel veel geld op je zichtrekening staan.
Ja, dat klopt.
Want daar krijg je geen interest op …
Maar ik ga dat allemaal uitgeven.
Je zou dat op je langetermijnrekening kunnen zetten …
Ik heb mijn huis verkocht en een nieuw gekocht. Dat geld dient om dingen te kopen om het huis te verbouwen.
Maar alles wat je op je langetermijnrekening zet, levert meer interest op. Hier krijg je niets op, terwijl dus op die termijnrekening …
Dat weet ik, maar het interesseert mij niet.
Meer geld hebben …
Interesseert me niet, nee. Zolang ik genoeg heb om te leven, is dat meer dan voldoende. Ik spendeer geen energie aan het zoeken naar voordelige rentevoeten en zo. Dat boeit mij echt niet.
Want als je dat op je termijnrekening zet, heb je dus twee komma vijfendertig procent, na aftrek van onze kosten, en dat levert wel veel op. Maar je kan daar geen geld afhalen, dat klopt, want dan moet je de volledige rekening opzeggen.
Dus zet ik daar niets op, behalve die tweehonderd zeventig euro die daar zesmaandelijks automatisch opgezet wordt. Ik heb die rekening enkel omdat ik anders geen lening kreeg indertijd.

Je hebt dus een nieuw huis. Hoe lang woon je hier nu?
Bijna drie weken.
Ah, okee. En daarvoor dus op het platteland.
Ja, bij de bank in Mirande. Grandioze eikel, die directeur. Eerst werkte er wel een leuke jongedame die heel behulpzaam was. Wij waren eigenlijk haar eerste klanten, dat schept een band.
Een band, ja. Hoe heet zij?
Juffrouw ******. ******* met haar voornaam. Werkt zij nog bij deze bank?
Wacht, dan kan ik even opzoeken. ******, zeg je? *******
Zij is getransfereerd naar Fleurance.
Ja, ik zie haar. Fleurance. Ze heeft een gelijkaardige functie als ik.
Ja, Fleurance. Een promotie, denk ik. Ik denk dat Mirande zo’n beetje een straf is, zoals die kerel bij Bienvenu chez les ch, die naar het Noorden moet.
Ja, dat zou wel kunnen. Soms zetten ze je in het begin in een rotkantoor, waar weinig te beleven is. Een paar jaar, je moet je bewijzen om te evolueren.
Dus jij bent ook niet hier begonnen.
Nee. Ik heb eerst veel rond Pau gewerkt. Nu hier. Je moet tonen dat je gemotiveerd bent.
En je vrouw. Je bent toch getrouwd? Wat vindt zij daarvan.
Ja, je hebt natuurlijk grenzen. Ik rijd nu veertig minuutjes met de wagen. Dat is al wat verder maar je moet wel tonen dat je gemotiveerd bent.
Ben je verplicht te muteren?
Ja, er zijn wel bepaalde afspraken, maar als je wil evolueren moet je toch niet te moeilijk doen. Mensen die twintig jaar op hetzelfde kantoor blijven, dat bestaat eigenlijk niet meer. Dat is ook logisch, je krijgt dan een bepaalde band met je cliënteel. Dan ga je misschien terughoudend worden, geen nieuwe zaken aanbieden.
Ik vond dat net leuk, dat er iemand was die mij kende en wist wat ik wilde.

Kijk, ik ga je een voorstel doen. Ik print het af. Hier. Moest bijvoorbeeld een van jullie twee naar de hemel gaan, dan kan je een garantie nemen voor 30 000 euro. Je betaalt maandelijks een bedrag, nog geen zes euro, en als je partner dan sterft.
Ja, okee. En voor mij is dat dan duurder dan voor haar.
Dat weet ik niet. Misschien wel.
Ik ben een man en ik ben twee jaar ouder. Statistisch gezien sterf ik eerder, dus betaal ik meer.
Ik draai het printje even uit. Ja, dat klopt. Je zou iets meer dan zes euro betalen. Als zij dan naar de hemel gaat … Of ook, als je een ongeval zou hebben. Je moet weten, we zijn jong maar er kan vanalles gebeuren. Wij hebben dat gezien, dat mensen na de dood van hun partner … Of stel dat je vegetatief bent na een ongeval. Niet als je gedronken hebt natuurlijk, je kan wel niet zelf in fout zijn. Maar dan komen mensen dus in de problemen, als ze zonder partner vallen. Je zou dan 30 000 euro hebben. Dat is veel, 30 000 euro.
Ja, dat is veel. Maar eigenlijk interesseert mij dat niet, zo’n verzekering. Ik neem liever het risico …
Want het is wel een risico. Er kan altijd iets gebeuren, wij zien dat …
Ik zou dan het geld van mijn zichtrekening op mijn langetermijnrekening kunnen zetten en van de winst die verzekering betalen.
Ja. Dat is eigenlijk een goed argument.
Je mag dat gebruiken. Maar ik neem die verzekering niet.
Okee.

Als ik nu ziek word, of al ben …
Je moet wel een medisch dossier laten opmaken.
Ja, en dan weten jullie alles over mij.
Nee, dat gaat ons niet aan. Dat staat los van ons, wij hebben daar geen zaken mee. Wij zijn wel ethisch.
Dat is zever. De wet verbiedt dat. Medisch geheim. Als jullie die data mochten inkijken, keken jullie die gewoon in.
Dat is misschien wel waar.
Ik vind het wel okee dat je daar zo open over bent. Het is fijn om weer een bank te hebben. Ik hoop dat het even duurt voor we elkaar weerzien.
Bedankt.
Ja, jij bedankt. En veel succes met de verkoop van je verzekeringen.
Ik zal aan jullie denken …

Geplaatst in Leven | 3 reacties

Gijzelnemer van mijn gestel

De eerste keer dat ik terug ging zwemmen, kreeg ik na tweehonderd vijftig meter mijn armen niet meer rond. Het leek alsof er spieren waren verdwenen uit mijn armen en mijn schouders. Het is zoals steeds: je merkt pas dat je iets hebt wanneer je het niet meer hebt.

Het zwembad in Tarbes is Olympisch: acht banen en vijftig meter lang. Ik heb altijd liever in Olympische baden getraind omdat het minder saai is, de tijd lijkt er parallel te lopen. Als jongetje trainde ik in Overpelt, als tiener in Neerpelt. Beide zwembaden, al jaren gesloopt, waren een bak van vijfentwintig meter met vier banen. Claustrofobisch.

In de Gers had ik uiteraard mijn eigen zwembad, twaalf meter lang, zelf mee aan de bouw gewerkt. Een eigen zwembad in een zonovergoten streek is een zaligheid, maar dat zat er in Tarbes niet in. Ook het meer, waarin ik wekelijks wel eens ging drijven, heeft hier geen evenknie. Dat is wat je verliest. Wat je wint, is een zwembad waarin je echt kan zwemmen, een heel jaar lang. Een jaarabonnement kost minder dan de jaarlijkse doos onderhoudsproducten. Dat heb ik dus maar aangeschaft.

Ik zwem graag. Ik heb altijd graag gezwommen, getraind zelfs, en het doet gigantisch veel deugd om dat opnieuw op te pikken. Drie keer per week ga ik nu. “Je bent wel gemotiveerd,” zei de baliemedewerker toen ik mijn jaarabonnement afschafte maar geen telefoonnummer kon opgeven – “Ik woon hier nog maar twee dagen, de aansluiting is nog niet in orde.”

De spieren die twee weken geleden nog weg leken, komen uit een vijfjarige winterslaap. De pezen en gewrichten die na de eerste zwembeurten vooral zeurden, lijken zich niet alleen neer te leggen bij de reeks aanslagen, ze verheugen zich op verdere marteling. Mijn bovenlichaam, te lang gegijzeld door monotoon bandwerk, heeft een Stockholmsyndroom opgelopen. Het zwembad is, nu reeds, de sympathiekste gijzelnemer van mijn gestel.

Ik trek baantjes, soms maar een half uurtje maar ook al eens een uur. Er komt stabiliteit in mijn slag, en ritme en kracht. Ik betrap me erop dat ik meezwem met de competitiezwemmers die in de baan naast me trainen. Vijftienjarige kleerkastjes, ik volg ze vijftig of honderd meter, soms al wat langer. Ik kan eigenlijk niet verklaren waarom mij dat gelukkig maakt, maar dat is wel wat het doet.

Ik ben opnieuw het eerste woord uit mijn bio’tje: zwemmer.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Op het vel

Laag voor laag pel ik de levens van dit huis af. Ik bevochtig de muren met een behangborstel, de emmer met water en zeepsop staat op de trapladder. Het plamuurmes hanteer ik zoals je soms acteurs scheermessen ziet hanteren in oude oorlogsfilms. Het mes ligt los in mijn hand en met vlugge bewegingen maak ik de randjes los.

Mijn bewegingen zijn onzorgvuldig, bij momenten gehaast. Op de repen behangpapier die ik van de kamermuren pluk, blijven veegjes bloed hangen. Mijn linkerwijsvinger is dichtgeplakt maar ik maak steeds nieuwe sneetjes, net onder de vorige.

Op sommige plaatsen zijn er drie lagen behangpapier. De vorige eigenaars moeten de geest van hun voorgangers hebben willen vasthouden. Wij pellen die geesten af. Iemand moet het doen. Iemand moet alles wat hier in de afgelopen vijfendertig jaar gebeurd is opnieuw wissen. Tabula rasa, dat zijn wij. Altijd weer een lege tafel, altijd opnieuw beginnen.

Het werk is een goede zoethouder. Het vraagt discipline, verhindert ons voetstoots in dit nieuwe en bruisende stadsleven te duiken – is het wel nieuw, en zou het echt bruisen? Vorige week fietsten we naar de opening van een nieuwe bar, Cubaans, we dronken er gratis cocktails en aten gratis hapjes. Het laatste hapje was een klein bloedworstje.

Volgende week is er een woord- en muziekavond in een lokale pub waar wekelijks drie optredens plaatsvinden, zo vertelde ons een meisje – jonge vrouw eigenlijk – die het licht doet in de concertzaal in het naastliggende quartier. Vorige week trad daar Sick Of It All op, een hardcoregroep die ik nog uit mijn tienerjaren ken.

Ik verwijder een zwarte laag behangpapier, daaronder een rode en daaronder een beige met figuurtjes op. De lagen gaan vaak maar in twee beurten af. Eerst gaat het gekleurde papier los, daaronder zit een pulperig laagje. Ik bevochtig, laagje per laagje, scheer met mijn mes laagje per laagje weg. Nog even en we zitten op het vel van dit huis. Daar moeten we zijn, op het vel. We rusten niet voor we op het vel zitten.

Geplaatst in Leven | 3 reacties

Het gaat zo snel en zo traag

Van mij maakt zich een soort van landerigheid meester, elke keer wanneer er een nieuw huis is. Er zijn in mijn leven vele nieuwe plekken geweest, in Leuven waren het er een negental, en ze moeten eerst berust worden.

Het liefste wil ik op een nieuwe plek liggen. Tussen de dozen, op een kussen dat ergens rondslingert, met een boek dat ik uit een doos heb opgevist, en wachten. Wachten tot er iets gebeurt: de elektriciteit wordt afgesloten, buren worden ongerust, honger drijft me het huis uit.

Zij niet. Zij wil het hele huis schilderen, meubels ineenzetten, administratie regelen, naar Ikea rijden aan de andere kant van de wereld, muren uitbreken, keukens en badkamers vernieuwen, …

Dus moeten we een venndiagram aanwenden en kijken waar mijn lege verzameling en haar gearceerde gebied kunnen overlappen, en wat we daar dan in steken. We wonen vandaag een week in ons nieuwe huis in Tarbes. We hebben internet, dat kan jullie niet ontgaan zijn, de elektriciteit is geregeld, het water ook. We hebben een bibliotheekkaart, een kaart voor het containerpark en ik een jaarabonnement op het zwembad.

We zijn in Bayonne geweest, bij Ikea, Bayonne is net iets dichter dan Toulouse nu. Ik schrijf op een van twee nieuwe bureautjes, een boekenrek en buffetkast zijn ineengezet, krukjes ook, Lin heeft een mooie leeszetel gekocht. Ik heb een kapotte vloertegel op een van de trapjes gemaakt, tredenplankjes vastgenageld, een inbouwkast uitgebroken en planken op maat gezaagd om ze opnieuw op te bouwen – maar dan anders.

Er is verf gekocht, veel verf, en een borstel om het behangpapier te bevochtigen zodat het beter van de muren komt. Alle kamers worden tegelijk aangepakt, want telkens als ik plannen maak om een kamer nog wat uit te stellen, heeft zij al weer een andere taak in een andere kamer.

De meeste dozen zijn leeg, de meeste meubels gezet. We eten aan een picknicktafeltje want een eettafel is in bestelling. Net zoals een keuken, twee offertes vergeleken, vrijdag een definitieve voor de badkamer. Dan zal de meerwaarde van het vorige huis stilaan opgesoupeerd zijn en kunnen we terug wegzakken in landerigheid, en in die landerigheid een job zoeken.

We hebben een stukje van de GR richting Pau gestapt en een alternatief begin gevonden. De hond is als verslaafd aan het park naast de deur. We hebben de start van de wandelroute naar Lourdes gevonden, vanuit de wijk over een paadje langs de universiteit de stad uit.

Ik heb het wiel en de derailleur van mijn fiets vervangen, nieuwe remmen geïnstalleerd, haar fiets een onderhoud gegeven, rekjes gehangen om alle gereedschap op te bergen, materiaal gekocht om ook de tandem van onderhoud te voorzien.

We zijn hier een week, nu. Het gaat wat snel, vind ik. Het gaat zo traag, vindt zij. Het gaat goed, vinden we. Wie weet, misschien blijven we hier wel wat langer hangen dan op onze vorige tien pleisterplaatsen …

Geplaatst in Leven | 3 reacties

‘t Is klaar

Op de dag precies vijf jaar nadat het huis vol kartonnen dozen stond, staat het huis vol kartonnen dozen. Op de dozen staan korte beschrijvingen van de inhoud, of van de plaats in een huis waar de inhoud hoort te komen. Onbruikbare dingen zijn verkocht, weggegeven of in het laatste geval naar het containerpark gegaan. Alles wat vastzat, is losgemaakt. Gaatjes zijn gestopt. Het huis is leeg, op kartonnen dozen na.

Wij verhuizen. Het huis is verkocht, de akte wordt vandaag getekend. Voor ons is het tijd om weg te gaan, om voort te gaan.

Als dit een roman was en het was belangrijk om in die roman de motivatie van de hoofdpersonages te duiden, zou de tweede miskraam een sleutelscène zijn. Dit is echter geen roman en motivatie in werkelijkheid is nooit zo duidelijk als ze geduid wordt. Wel is het zo dat de tweede miskraam aanleiding gaf om voor het eerst de vraag op te werpen: Waarom zijn we hier en wat zou ons hier houden?

Die vraag kwam niet van mij, ze kwam van Lin. Ze keek naar de toekomst en zag hem niet, die toekomst. Dat is nu twee jaar geleden.

Wie naar zichzelf kijkt, wordt in de eerste plaats gedwongen om naar zijn job te kijken. Dat is zo in deze samenleving, die grotendeels bepaald wordt door geld, de manier waarop je aan dat geld komt en de wijze waarop je het besteedt. Wij hebben in Frankrijk nooit veel geld gehad, weinig geld verdiend maar – gelukkig maar – nog minder geld uitgegeven. Ons inkomen kwam in de zomer uit de chambre d’hôtes, die goed liep, en tijdens de rest van het jaar uit tijdelijke jobs, wat minder goed liep.

Of was dat wel zo, was het eigenlijk niet anders?

Liep de chambre d’hôtes dan zo goed? We konden in ieder geval niet klagen. Elk jaar waren er een beetje meer boekingen en kwamen die boekingen ook een beetje vroeger binnen. We deden dat ook goed, denk ik, mensen kwamen graag en kwamen terug. En we deden dat ook niet goed, want we verdienden er te weinig aan en waren niet in staat daar verandering in te brengen – wat ons bij de vaststelling bracht dat het eigenlijk niet ons ding was, op zelfstandige wijze aan de kost te komen.

Misschien was het ook te veel mijn ding, met het fietsen dat een steeds prominentere plaats innam. Dat is niet iets waar ik schuldig aan ben, dat is een vaststelling. Mijn zomers waren gewoon een pak leuker dan die van Lin.

Wat dan met de rest van het jaar? In de grootste lokale fabriek hebben we ons opgewerkt tot vaste tijdelijke werknemers, we staan hoog in de poule van mensen die jaarlijks opnieuw wordt opgeroepen om een half jaar of zo te werken. Dat is goed, maar ook weer niet. Het is namelijk te onzeker, zeker ook voor iemand als ik die verstand heeft van de cijfers en statistieken die het management van het bedrijf presenteert aan het personeel. Er wordt meer werk gedaan, meer winst gemaakt, met minder mensen. Contracten worden korter, werkdruk in die kortere periode hoger. En of we dat dan nog wilden, over vijf jaar of meer. Of dat dan de toekomst was?

Dat was de toekomst niet, of toch zeker niet de verre toekomst, en als het de verre toekomst niet was, waarom zou het dan de nabije zijn?

Het huis was te groot. Ja, dat wel. Te groot voor ons tweeën. Tweederde van het huis werd slechts drie maanden per jaar gebruikt. Dat moest ik Lin meegeven. En de tuin? Was die ook niet te groot? Dat was al moeilijker. Ja, er was veel werk en ik zag tegen een groot deel van dat werk op. Toch zag ik ook veel voordelen, het genot van fruitbomen snoeien, van een eigen zwembad in de zomer, …

Wat zij wilde zeggen: zijn wij eigenlijk wel mensen om op de buiten te wonen? Tja. Je weet het niet tot je het gedaan hebt en na vijf jaar ben ik er niet uit. Ja, ik haat het om mij met de auto te verplaatsen. Ik ben ook geen grote fan van de boerkesmentaliteit die hier heerst, waar alles wat vreemd is, of vernieuwend, argwanend wordt bekeken. Maar ik ben ook geen echte mensenmens. Ik ben geen fan van de plattelandsmentaliteit maar ook niet van de stadsmentaliteit, niet van de Vlaamse mentaliteit, niet van de Franse, niet …

Gelijkgestemden in mijn leeftijdscategorie? Eigenlijk ken ik er maar eentje. Met haar ben ik getrouwd.

Er kwamen argumenten van: zou je niet gewoon terug naar een bibliotheek willen kunnen wandelen? Heel het jaar door gaan zwemmen? ‘s Avonds buiten kunnen zonder de auto te moeten nemen? Of dat je gewoon kan beslissen ergens naar toe te gaan en daar aankomen en gewoon terug naar huis kunnen gaan. Zonder dat je een uur in de auto …

Ja, die auto. Héél gevoelig punt. Als er iets is wat we onderschat hebben, is het hoe leven op het platteland onlosmakelijk met de auto verbonden is. Op het platteland is er namelijk niets. In onze verbeelding waren er wel dingen maar in de realiteit zijn die er niet, of nauwelijks, of zijn ze onstabiel en verdwijnen ze voor je er erg in hebt.

Ik wil terug dingen voor mezelf kunnen doen, zei ze. Het heeft mij tijd gekost om dat helemaal te begrijpen. Ik heb hier genoeg dingen te doen voor mezelf. Ik kan een halve dag zoekmaken met gewoon naar het meer stappen, een uurtje zwemmen, terugstappen. Rondfietsen. Ergens een heuvel opwandelen en naar de bergen kijken. Braambessen plukken.

Ik wil een cursus kunnen volgen, of gaan dansen. Ik wil in een vereniging kunnen waar de mensen geen zeventig zijn. Fietsen – heeft zij een stad nodig om te fietsen? Ik begreep het niet, tot ze het uitlegde en opnieuw uitlegde. Tot ik het zag, wat zij wilde.

De stad. Het heeft mij tijd gekost om aan het idee te wennen, maar we zouden terug naar een stad gaan. Een stadje. Een stad. Geen grote stad, ik ben geen stadsmens. Een kleine stad. Maar waar?

Je moet tegen de Gers kunnen, heeft iemand hier wel eens geopperd. Dat is waar. Ik denk dat ik tegen de Gers kan, als puntje bij paaltje komt, maar ik weet niet of ik tegen de Gers moet willen kunnen.

Toch zijn we heel dankbaar voor die vijf jaren in de Gers. Het waren vijf prachtige jaren waarin we veel tijd hebben gehad voor elkaar en onszelf, iets wat voor late twintigers en jonge dertigers, wat we hier waren, absoluut geen evidentie is. Ik heb het wel eens gevraagd aan Lin, of ze dan spijt heeft, en dat heeft ze niet. We hebben gevonden wat we toen zochten en nu zijn we er klaar mee, op die typisch menselijke manier van klaar zijn zonder ook echt klaar te zijn. Leven is onafgewerkt, levenskeuzes zijn dat ook. Klaar zijn is een beslissing die je maakt, of niet.

We vertrekken uit de Gers voor we hem echt beu zijn, of voor we hem echt uitzichtloos vinden – misschien zou hij het zelfs nooit geworden zijn. Maar we vertrekken, en we doen dat met een rijke levenservaring en een mooie herinnering.

Over vijftien jaar, god weet waar we dan zullen zitten, zullen we tegen elkaar zeggen: weet je nog, toen in de Gers, weet je nog hoe we toen leefden en wat we toen dachten? (En door mijn, bij momenten aflatende, drift om het hier op te schrijven, zullen we het nog weten. We zullen stukjes herlezen, over het leven met een hond en wat fietsen, en veel tijd.)

De Gers, la vie dans le Gers: we zijn er klaar mee.

Dit zal echter blijven bestaan. Onder een andere naam, op een andere plek, op dezelfde webstek. De naam weet ik nog niet, wat ik erover kan en zal schrijven nog minder. Het leven in Tarbes – want dat is de volgende stap. Ons huis wordt vandaag verkocht, over een maand kopen we een huis in Tarbes – ik tik even op de houten tafel naast me. We hebben getekend voor een klein huisje aan de rand van Tarbes, hoofdplaats van de Hautes-Pyrénées, in het zicht van alle bergen waar ik nog geen afscheid van kan en wil nemen, dichter bij die bergen die mij de afgelopen jaren steeds harder zijn gaan aantrekken.

Wat Tarbes ons zal brengen, weten we niet. Een ander leven, dat op zijn geheel eigen wijze toch ook weer zal afwijken van het leven van de meeste van onze leeftijdsgenoten, van onze vrienden en kameraden, sympathisanten, familie, … We zullen geen chambre d’hôtes meer uitbaten maar wel nog vrienden kunnen ontvangen.

We zullen leven, zoals we denken te moeten leven. Op een nieuwe plek, want waarom zou je blijven hangen in wat je kent of terugkeren naar wat je zo zelfbewust achterliet?

Het leven in de Gers, we zijn er klaar mee. Een nieuwe stap, we zijn er klaar voor. Verder nodig ik jullie, trouw en klein lezerspubliek, uit om binnen enkele weken weer mee te stappen.

Geplaatst in Leven | 12 reacties

Over je angsten in de ogen kijken

Op de mat in de living staat een spiegel. In die spiegel voltrekt zich een drama dat kenmerken heeft van de klassieke Griekse drama’s. Je weet wel, van die verhalen waarin de extremen elkaar de hand reiken, waarin aantrekkingskracht en afstoting neus tegen neus vechten om de voorgrond.

Ze loopt nooit voorbij de spiegel zonder even te kijken. Wie? De hond, uiteraard. Wanneer ze van de kamer naar de keuken gaat, stopt ze even bij de spiegel. Ze kijkt naar het spiegelbeeld, draait met de kop en loopt verder. Even later doet ze het opnieuw. Dan loopt ze weer de mat op, richting spiegel, kijkt even in het gladde spiegeloppervlak en sloft verder door de kamer.

Als we ‘s avonds niet weten waar ze uithangt, kijken we even achterom naar de mat en de spiegel. De kans is groot dat de hond dan op de mat staat, voor de spiegel.

Soms ga ik erbij staan, dan staan we samen voor de spiegel. Als ik mijn benen spreid, komt ze onder me staan. Dan zet ik een stap vooruit, tot tegen de spiegel. Ik zeg, Kom, en ze komt niet.

Ik heb de spiegel wel eens bewogen. Dan loopt ze schuchter weg. Wanneer ik haar met de spiegel achtervolg, schuilt ze onder tafel tussen Lin haar benen. Als even later de spiegel terug op de mat staat, sluipt ze naar de living om in de spiegel te kijken.

Ik nam een speeltje en zette het voor de spiegel. Ik zei, Pak het, en ze pakte het weg. Toen zette ik het opnieuw voor de spiegel, tot tegen de spiegelwand en zei, Pak het. Ze sloop dichterbij, probeerde het speeltje met haar neus om te duwen. Dat lukte niet. Vanop enkele centimeters afstand probeerde ze, de kop zo dicht mogelijk tegen de mat, het speeltje weg te likken. Lukte niet.

Ze ging enkele passen achteruit en legde zich op de mat, neus richting speeltje. Ze wachtte behoedzaam af. Onze hond kan desnoods anderhalve maand behoedzaam afwachten. Het speeltje gaf geen krimp. De hond zuchtte.

Bang is ze, van die spiegel, bang om dichterbij te komen. En toch kan ze niet aan de spiegel voorbij, kan ze het niet laten om de mat op te stappen richting spiegel, even te kijken en weer voort te gaan. Zoiets wordt een gewoonte, zoals de gewoonte om steeds een bal mee te nemen naar de kippen, om altijd op het bergje naar de grote tuin te liggen wachten op niets of niemand, om te grommen als de telefoon gaat.

Doe het maar eens, leven zonder hond. Moet een stuk saaier zijn.

Geplaatst in Leven | 6 reacties

Hebben jullie overigens al een kijkje genomen op mijn wereldblog voor MO* Magazine?

Geplaatst in Leven

Felix

Het was zondagochtend half elf en ik had mijn wandelschoenen en een short aan. Het was warm met een beetje koud. Je kan dat zo hebben, dat de zon het warm maakt maar de lucht op een of andere manier nog koud aanvoelt. We zouden nog eens een tocht doen, een beetje verkennen op vijf kilometer van onze deur.

De aanduidingen voor de wandelroute was ik al enkele keren gekruist met de fiets. Je moest van het meer van Monpardiac omhoog en dan die doodlopende straat in. Aan het eerste huis zaten twee honden, een kleine schoothond en een mooie, grote en speelse stratier die van ogen en vacht wat op onze rattenkop leek.

De stratier en Rein speelden een halve kilometer lang, op een zandwegje tussen de velden sprongen ze van plas naar plas. Wij stapten flink door en keken naar de bergen die er onwaarschijnlijk mooi uit zagen met hun wintervacht in de helblauwe lucht.

Ik probeerde de hond weg te jagen. Niet de onze, de andere.

Je kan hier ook nooit eens gaan wandelen zonder een of andere hond mee te hebben. Zo’n jong, onopgevoed erfdier dat besluit om gewoon wat te volgen, niet wetende dat het de bedoeling is een kilometer of vijftien af te leggen. Ons Rein doet dat vlot maar een hond die het niet gewoon is, krijgt het toch wel op de heupen.

Ik heb dat niet graag, een andere hond. Ik ga er mij dan verantwoordelijk voor voelen, dat het beest niets overkomt en dat het weer thuiskomt.

Even lukte het, in een bos raakten we de hond kwijt, maar plots was hij toch weer daar. We besloten de hond dan maar mee te nemen op de rest van de tocht. Na een uurtje kreeg hij het moeilijk dus besloten we naar een kerkje te stappen. Op het kerkhof leenden we een schaaltje van een bloempot en lieten de honden drinken. We gaven de hond, die we intussen maar Felix noemden, een koekje. Hij keek ernaar als een koe naar een flipperkast. Rein at Felix’ koekje op. Daarna gingen ze weer spelen.

We besloten voort te maken want voor de speeltijd om is heb je een beest van dertig kilo of meer in je pollen en moet je het nog zes kilometer naar huis dragen.

De ene heuvelkam stapten we af, de volgende terug op. Het was nu bijna halfdrie en eigenlijk te warm om nog een truitje te dragen. We maakten een omwegje langs het huis van Felix. Zijn afwezigheid was onopgemerkt voorbijgegaan. We leidden hem de tuin in en probeerden het hekje te sluiten. Felix trapte erin.

Terwijl we de afdaling naar het meer inzetten, hoorden we Felix nog even blaffen. Daarna werd het stil, tenzij het ruisen van de wind door de velden over de waterspiegel langs mijn oren.

Geplaatst in Leven | 3 reacties

Over kijken naar de bergen vanaf een koersfiets

Vandaag was het niet en gisteren ook niet, de regen valt hier al twee dagen met bakken, emmers en gieters uit de lucht. Eigenlijk is het zelfs meer dan een week geleden maar ik ben intussen met te veel andere onzin bezig geweest om het hier neer te schrijven – onder andere elders schrijven maar daarover later ook meer.

Dus. Wat ik toen had moeten schrijven betreft het volgende.

Je hebt hier van die winterdagen dat je kan bovenkomen aan de kapel van Saint-Elix, je bent dan minstens drie heuvels over waartegen de Berendries en de Wolvenberg een Welpendries en een Welpenberg zijn, de zon begint de lucht wat op te warmen en je twijfelt om je lange mouwen toch maar op te rollen en terwijl de verzuring in je benen alle zuurstof uit je bloed opzuigt, is datgene wat echt adembenemend is toch weer die horizon – je kan bergkammen zien van Andorra tot bijna in Bayonne, misschien overdrijf ik maar het moet toch zeker van Plateau de Beille tot Roncesvalles zijn, honderden kilometers aan bergkammen met witte kapjes op die blinken in de ochtendzon, wachtend op de dauwdampen uit de opwarmende valleien om zich zoetjesaan in te hullen.

(Eén zin? Eén zin mevrouw, mijnheer. En ik had hem nog vlotjes kunnen rekken door er een als … aan toe te voegen, maar we weten allemaal dat mindere schrijvers zoals ik pas echt genadeloos door het ijs zakken wanneer ze een vergelijking willen maken, een metafoor zelfs als je even niet oplet, die dan meestal slaat als kut op dirk.)

Ik rijd niet vaak langs de kapel van Saint-Elix maar het is één van de mooiste plekjes om naar de bergen te kijken, mooier dan aan de versterkte kerk van Saint-Christaud of aan de pigeonnier van Saint-Arrailles. Op warme winterdagen zijn de kammen het scherpst zichbaar in de vroege ochtend want door het verdampen van de ochtenddauw worden ze doorheen de dag meer flou, om dat tegen valavond vaak een oranjerode gloed over zich te krijgen – ook niet te versmaden maar we moeten nu eenmaal voor het donker thuis zijn.

Snel fiets ik niet over al die boerenwegeltjes waar je nooit veel meer tegenkomt dan een erfhond die even een eindje meeloopt, maar waarom zou je in godsnaam snel fietsen in de winter of in eender welk ander seizoen waarin de natuurpracht je aanspoort om het net even wat trager te doen?

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Geen lijf stond stil

Op de dag dat ik mijn vijfde huwelijksverjaardag vierde, waarvan vijf jaren zeer gelukkig, deed ik na vijf maanden de deur van de fabriek achter mij dicht. We trokken naar een vrij podium in de bistro van Saint-Sever-de-Rustan. Veel verwachtingen hadden we niet. Het vorige vrij podium van dezelfde organisatoren was een fiasco geweest en de voorbije dagen kwamen er tegenstrijdige berichten over of het vrij podium nu wel of niet zou plaatsvinden.

Aangename verrassing toen het hele dorp vol auto’s bleek te staan, de ruime parking van de abdij had nog maar enkele plaatsjes te bieden. De bistro zat afgeladen vol met mensen die tapas en garbure aten, enkele traditionele Gascognezangeres animeerden de start van de avond.

Er waren trosjes mensen van onze leeftijd, jonge dertigers, een soort die je hier eigenlijk maar zelden tegenkomt. Meestal vertoeven we in het gezelschap van vijftigers en zestigers. Muzikanten waren er van velerlei strekking, de bekende gezichten die je overal tegenkomt en die altijd hetzelfde willen spelen – hey Herman, gaan we dat nummer van Oasis weer doen? – maar gelukkig ook nieuwe gezichten.

Oasis speelde ik niet, maar wel Britney Spears en Ferre Grignard, wel Piano man van Billy Joel. Daarna passeerde vanalles de revue en was het wachten op een gaatje, dat mijn maat op viool en ik zouden kunnen invullen. Dat gaatje zou uiteindelijk de eerste boeuf worden. De boeuf is het moment waarop iedereen de kans heeft gehad zijn ding te doen en het de bedoeling is samen dingen te doen.

Gezien de aanwezigheid van behoorlijk wat Engelsen; een fluitspeelster, een tweede violist en een bende percussionisten besloten we wat Ierse folk te spelen. Ik zette I’m into folk van The Radios in, dat naadloos overgaat in de Ierse traditional The Irish Washerwoman (waarvan het eigenlijk gewoon een rip off is, samen met nog een of andere Engelse reel), een deuntje waarop de halve zaal met handen en voeten begon mee te tappen.

We speelden Dirty Old Town, een nummer waarvan ik telkens opnieuw vaststel dat zowat iedereen het kent, kan meezingen, wil meezingen ook – altijd staat er wel een of andere halvegare op die de microfoon omdraait en vanuit de zaal een strofe of twee voorbrult. Een nummer dat wérkt, voor elk publiek. We speelden jigs, polka’s, improviseerden erop los. Tafels gingen aan de kant, mensen begonnen te dansen.

Het leukste moment op dit soort optreden is wanneer dansers in de clinch gaan met een pupiter of een microfoonstandaard, die dan met een laatste uithaal nog net van de grond gehouden worden en ergens aan de kant geschoven, dat er zoveel muzikanten op het podium staan dat je de gitaarhals van je buur in al zijn enthousiasme tegen je kop krijgt, dat je een flard tekst door de microfoon zingt, “learning to dance for Lannegan’s ball”, en uit je ooghoek ziet dat er een dun straaltje bloed van je pols loopt.

De violisten gingen in duel, gingen steeds sneller spelen terwijl de bassist en ik met hoofdknikjes en korte kreten de toonaarden van de nummers uitzochten en het gefiddel van een geraamte voorzagen. Zelfs achter de bar werd gedanst, geen lijf stond nog stil.

Zo spoelde de avond een dicht verleden weg, met muziek waarbij het niet zozeer uitmaakt dat ze foutloos wordt gebracht, maar om wat ze doet met mensen, om wat dansen kan vrijmaken. Dat ik hier dan zit, met zachte koppijn en een sterke koffie voor mijn neus, en dat ik gewoon goesting heb om dat te delen, om nog eens de mooie momenten in mijn leven te delen. Dat.

 

Geplaatst in Leven | 5 reacties