Nog een glas kafka, dan gaan we dansen op de Grote Markt

Papierwerk. Ik heb precies een kind op de wereld moeten zetten om opnieuw mijn oude hobby op te pikken, zijnde het bijhorende papierwerk. Mensen die hier al jaren lezen, weten dat administratie toevallig een van mijn favoriete bezigheden is.

Het gemeentehuis, daarover vertelde ik reeds. Ging goed, enkel even een zoon gemaakt van mijn dochter. Stap twee was de CPAM, de ziekenkas. Ook lollig. Ik meldde me aan met een ingevuld document en een officiële geboorteakte. Of ze even een kopie wilden maken van die akte, zodat ik de originele kon bijhouden. Er zijn nog wachtende administraties na u. Dat kon.

De mevrouw kwam terug met de kopie van de akte, gaf ze en vroeg me de kopie aan de inkom in de brievenbus te deponeren. Dat vind ik altijd geweldig, wanneer een ambtenaar je een brief overhandigt die je dan in zijn eigen brievenbus moet deponeren. Misschien houden ze competities – wie de meeste brieven krijgt, moet een week lang geen koffie zetten.

De CAF dan. Bij de CAF kan je ook alles online, zo modern zijn ze wel. Enkel het laatste struikelblok, na een kwartier rondnavigeren en codes intikken, bleek wat leep. Het ging om de toe te voegen bewijsdocumenten. Daar liep mijn navigatie vast. Geen nood, er zijn andere wegen om te weten te komen hoe je je kind bij de CAF aangeeft.

Ruwweg zijn er twee mogelijkheden: je gaat naar de CAF en vraag het hen zelf; of je steelt een ei uit een kippenren, broedt het uit onder je oksel, wacht tot de kip van ouderdom sterft – volgens google kan dat op een jaar of zes geflikt zijn – en begraaft vervolgens op een ondiepe en zorgvuldig gemarkeerde plaats het karkas, intussen heb je een cursus bottenlezen gevolgd – e-learning mogelijk, diploma erkend in drieëndertig staten – en na opgraven van het voornoemde karkas leid je het gewoon zelf af uit de onderlinge positie van de kippenbotjes.

De tweede methode is, dat begrijpt u, vermoedelijk een stuk sneller en meer dan waarschijnlijk accurater dan de eerste. Noem het gerust een neopaternale vlaag van zinsverbijstering dat ik voor optie één koos. Dat ging dan zo.

[Man komt gang binnen, wacht in de rij. Neemt documenten in de hand.]
[Bediende met kek vestje spreekt man aan.]
– Wat kan ik voor u doen?
– Ik wilde de geboorte van mijn dochter online aangeven. Ik liep echter vast bij het luik om officiële documenten toe te voegen. Mijn vrouw en ik zijn beide Belg. Is een geboorteakte van de stad Tarbes in dit geval voldoende?
– Heeft uw dochter de Franse nationaliteit?
– Dat dacht ik niet. Die krijg je toch niet meer automatisch bij geboorte in Frankrijk?
– Wacht even, een collega zal u helpen.
[Bediende met zelfde kek vestje in andere kleur komt de gang opgelopen.]
– Dag meneer, ik neem over. Wat kan ik voor u doen?
– Ik wilde de geboorte van mijn dochter online aangeven. Ik liep echter vast bij het luik om officiële documenten toe te voegen. Mijn vrouw en ik zijn beide Belg. Is een geboorteakte van de stad Tarbes in dit geval voldoende?
– Ik moet u met deze vraag doorverwijzen naar een collega. Ik geef u een ticketje. U mag in de ruimte hiernaast wachten.
[Man zet zich in ruimte met ticketje. Het duurt ruim twintig minuten voor hij geroepen wordt door de bediende die hem twintig minuten eerder naar de wachtruimte verwees.]
– Zo meneer. Wat was uw vraag ook weer? U wilde uw dochter aangeven?
– Ik wilde weten of een geboorteakte van de stad Tarbes voldoende is. Of moet er ook een attest van het consulaat bij? Want dan moet ik eerst het consulaat consulteren.
– Volgt u mij even naar deze computer meneer, dan doen we samen de aangifte.
– Maar ik heb de aangifte al gedaan, ik wil enkel de geboorteakte bijvoegen of, indien dat nodig is, te weten komen welke andere documenten ik moet voorzien.
– Oh, dan verwijs ik u even door. Ziet u in die cel, die man die daar telefoneert? Als hij gedaan heeft, mag u daar telefonisch uw vraag stellen. Een bediende zal uw vragen dan beantwoorden.
[Man twijfelt even, wil nog een vraag stellen, besluit dan het pand te verlaten.]
– Bedankt en tot ziens, meneer.

Deze avond chinees gaan afhalen. Toch maar even de kippenbotjes op de terrasvloer gelegd en opnieuw naar de site gefietst. Die liep niet vast, geboorteakte opgeladen. Antwoord verwacht voor Sam meerderjarig is.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

A boy named Sue

Op 16 februari kwam onze dochter ter wereld met een keizersnede. In een minuut of drie was het zaakje beklonken. Ik zat op een krukje aan het hoofd van mijn vrouw en hield een kartonnen spuwbakje vast, voor het geval dat. We zagen enkel het gordijn en hoorden de geluiden van het medisch team aan de andere kant. Er klonk gehuil.

“Dat is onze dochter,” zei ik.
“Het is toch een dochter?”
Na de echo op vijf maanden waarin ze als dochter werd benoemd, was onze dochter immers gaan dwarsliggen. Hoe kon het anders. Ze toonde gezicht noch geslacht, weigerde zich klaar te maken voor de wereld, weigerde de neus in de juiste richting te draaien, weigerde in te dalen.

Een verpleegster toonde onze dochter, legde ze even aan het gezicht van mijn vrouw. Geef maar een kusje, zei ze, maar ik voelde dat mijn vrouw geen nood had aan een kusje. Het kind werd meegenomen en kwam even later in een doek gewikkeld terug. We keken naar het kindje. Het zag eruit zoals kindjes eruit zien, niet als iets echt bijzonder, niet als een kleine afspiegeling van ons.

Terwijl de dokter opnieuw aan de slag ging, nam de verpleegster me mee naar een lokaaltje. Het kind werd gewogen, gemeten. Twee kilo zeshonderdnegentig, zevenenveertig centimeter. Een pruts. De verpleegster ging routineus aan de slag met washandjes, doekjes, kleertjes die we hadden klaargelegd. Een tweede verpleegster kwam binnen voor het papierwerk.

“11u22,” zei ze.
“Nee,” zei ik. “12u11. Ze is geboren om elf na twaalf.”
De verpleegster noteerde gewicht en lengte. Ze vroeg de naam. Voor op het kaartje, zei ze erbij, terwijl ze een roze kaartje op een minuscuul festivalbandje bevestigde.

“Sam. Onze dochter heet Sam.”

We hebben best even naar een naam gezocht. Ik had eigenlijk geen enkel idee. De enige twee namen waar ik na veel vijven en zessen mee op de proppen was gekomen, Elin of Line, vond Lin niet kunnen wegens te gelijkend. Zij kwam elke dag met nieuwe namen en elke dag zei ik wel iets in de trant van; ik heb een vervelende studente gehad die zo heette, ik kende vroeger een gigantische trut met die naam, of een andere uitvlucht.

Sam, had ze toen gezegd. Sam vond ik eigenlijk wel mooi. Ze had het overigens vroeger al gezegd, voor we naar Frankrijk trokken, voor we eigenlijk dachten dat er misschien ooit kinderen zouden komen. Sam voor een meisje, Lou voor een jongen, had ze toen gezegd – maar ik had toen een hele fijne collega met twee kinderen, zoon Sam en dochter Lou. Dus.

Maar het meisje Sam was al jaren in mijn hoofd aan het rijpen, ze had het ooit achteloos gezaaid en het bleek niet uit te maken hoe lang het duurde voor een druppel water eindelijk het zaadje deed ontkiemen. Onze dochter zou Sam heten.

“Sam.”
De verpleegster was even stil.
“Sam is een jongensnaam,” zei ze. Ze twijfelde niet aan haar woorden, ze twijfelde aan mij. Of ik het wel wist. Dat Sam een jongensnaam is. Ik zei niets. Ze keek me aan.
“S-A-M?”
Ik zei, ja. Ze schreef het op het polsbandje. S-A-M. Daarna nam ze het over op het papier, ze schreef het achter het cijfertje één.
“Andere voornamen?”
Ik zei nee en ze doorstreepte de cijfers twee tot vier.

De verplegers in de transferruimte hadden ook bedenkelijk gekeken. Het was minuten voor de keizersnede. We vertelden dat we onze dochter Sam zouden noemen. Dat is toch een jongensnaam? Ik zei dat het voor beide kan, dat het in België de laatste tien jaar een populaire naam is geworden voor meisjes. Meer nog dan voor jongens, zei ik erbij.

“Mag ik haar even in de couveuse leggen,” vroeg de verpleegster. “Om op te warmen.”
“U bent de verpleegster,” zei ik. “We gaan doen wat u het beste vindt.”

Sam werd in de couveuse gelegd. Ze had haar hoofdje naar de muur gedraaid en leek te slapen. Soms gaf ze kikjes, hoge pieptonen die uit haar mondje ontsnapten. Ze zoog op haar onderlipje, duwde haar tong naar buiten en piepte. Ik tikte tegen de couveuse. Sam reageerde niet. Na een tiental minuutjes mocht ik het raampje opendoen. De verpleegster ging weg, de gang in en een deur door. Ik legde mijn pink in het handje van Sam. Ze kneep. Wanneer ze kneep, maakte ze geen geluidjes.

Een vijftal minuten later was de verpleegster terug. Ze nam Sam uit de couveuse en legde haar in mijn armen. Is het kort voor Samantha, vroeg ze, maar ik zei dat het niet kort voor Samantha was. Gewoon Sam. Het meisje Sam.

Sam lag nu in mijn armen. Ze sliep. De verpleegster ging weg. Een andere verpleegster stak haar kop door de deur. Ze keek naar Sam en daarna naar mij. Toen ging ook zij weg. Ik bleef zitten met Sam in mijn armen. Ze deed haar ogen open. Ik wist niet of ogen al werken tijdens die eerste uren, of Sam al echte waarnemingen had, en of haar brein in dat geval al in staat zou zijn de prikkels te verwerken. Ik dacht aan de kennistheorie van Kant, aan de idées innées waar sommige moderne filosofen zo graag in geloofden.

Sam begon te wenen. Eerst stil en met schokjes, daarna luider. Ik wist niet hoe lang ik hier al zat. Een half uur misschien? Langer? Ik had ook geen idee hoe lang ik hier nog zou zitten, op dit stoeltje in een lokaaltje waar enkel een verzorgingstafel, een wastafel en een paar couveuses stonden. Niemand had me verteld wat er zou gebeuren. Er was geen kader vooropgesteld. Ik zat met mijn pasgeboren dochter op schoot en dat kon net zo goed tot het einde der tijden zo blijven.

Sam bleef wenen. Ik wiegde haar en neuriede de liedjes die ik de afgelopen weken vaak op gitaar voor haar speelde. Cats in the cradle. Wild world. 74-75 van The Connels, dat een tijdje geleden plots weer aan de oppervlakte was gekopen toen ik een andere riff speelde. Het werkte even.

Toen Sam opnieuw begon te huilen, nog luider nu, voelde ik me stilaan hulpeloos. Niemand kwam. Ik zat met mijn een uur oude kind – het kon ook iets meer of minder zijn – op schoot en probeerde de kleren, het mutsje en de handdoek waarin ze gewikkeld was, zodanig onder controle te houden dat ze niet stikte, geen kou vatte, niet dubbelgeplooid of anderszijds lichamelijk in de knoop ging. Er was niemand op de wereld behalve ik en het kind waarvoor ik diende te zorgen.

Ik stak het topje van mijn vinger in haar mond en ze begon te zuigen, eerst zacht maar dan harder, met rukjes van haar tong. Ik keek naar de wastafel en dacht aan mijn handen, aan wanneer ik ze voor het laatst gewassen had, vermoedelijk die ochtend nog voor ik naar het hospitaal was gefietst. Ik nam de vinger opnieuw uit haar mond waarop Sam opnieuw hartstochtelijk begon te schreien. Het geluid leek nauwelijks van een mensje te komen. Ik wiegde en wiegde. Ik wreef zachtjes met mijn gezicht over haar gezicht.

Soms stopte Sam even met wenen maar dan begon ze opnieuw. Ik hoorde in de verte verpleegsters praten. Ik had willen opstaan maar tegelijkertijd had ik geen flauw idee hoe ik dat zou moeten doen, opstaan met een kind, en wat het zou uithalen. Er ging tijd voorbij, kwartieren en minuten. Sam werd rustig, ze viel in slaap. Ik keek naar mijn slapende dochter. Ik dacht voor het eerst: dit is onze slapende dochter. De woorden waren me al eerder ontsnapt, nog in het operatiekwartier, maar nu geloofde ik het ook echt.

“Je mag over tien minuten naar je vrouw,” zei de verpleegster. Ze gaf me een papier waarop de officiële gegevens stonden voor de geboorteaangifte. Die moest ten laatste maandag gebeuren op het stadhuis van Tarbes. Ik legde het papier op de linnen zak waarin Sams dekentje stak en dat op mijn kleren rustte. Ik zat nog steeds in de ziekenhuisplunje die ik vlak voor het betreden van de operatiezaal had aangedaan. Enkel het mondmasker bungelde rond mijn nek, het haarnet en de schoenovertrekjes had ik nog aan.

De tien minuten duurden eindeloos. Sam sliep nu op mijn arm. Ik keek naar haar gezichtje en duwde mijn neus zacht tegen haar wang, over haar neusje. Toen ik mocht gaan, liet ik mijn spullen liggen en stapte met Sam door de gang naar Lin. Ik legde onze dochter in bed en ging terug om de spullen op te halen. Daarna liepen we naar de kamer. Dingen gebeurden, mensen liepen af en aan. Toen de drukte voorbij was, keek ik naar Lin.

“Ons Sam,” zei ik.

We zwegen even. Het was wennen voor Lin, een kind, meer dan voor mij. Ik had een kleine twee uur voorsprong. De eerste twee uren van haar leven zal Sam in mijn armen doorgebracht hebben. Ongeacht wat er later nog gebeuren moet tussen ons, die eerste twee uren zijn van ons geweest, uren die we doorbrachten zonder ook maar iets van elkaar te begrijpen.

Het was nu late namiddag. Ik ging even naar huis, iets eten en met de hond uit, terwijl verpleegsters zich met Lin en Sam bezighielden.

“Ze blijven maar hij zeggen,” zei Lin toen ik terug kwam. “Ze zien de naam, of ze horen Sam, en ze zeggen hij. Ik weet niet of ze dat doen omdat je tegen een baby nogal snel hij zegt, het is een mannelijk woord, of omdat ze denken dat Sam een jongen is.”

Een oudere verpleegster kwam nog wat verdere uitleg geven. Ze keek op het papier waarmee ik de geboorteaangifte zou doen. Ze keek naar de naam.
“Sam,” zei ze. “Een meisje. Dat is toch een jongensnaam?”
Ik zei opnieuw dat Sam ook voor een meisje kan, dat het in België een populaire meisjesnaam is. Ze vroeg of we terug naar België gingen, waarop ik zei dat het weinig waarschijnlijk is.
“Want hier is het enkel voor jongens. Ik zeg het maar, als ze later naar school zal gaan en zo, dan gaan ze denken dat het een jongen is. Dat ze dan misschien gepest wordt. Met die naam.”
Ik dacht aan de namen die collega’s me hadden gegeven, de namen die in Frankrijk populair zijn voor meisjes. Lilou. Lola.

“Komt de naam vaak voor? Loos?” Ze sprak het uit zoals Fransen het uitspreken, met een oe. Loes.
“Nee,” zei ik. “Dat komt niet zo vaak voor. Zeker niet in Frankrijk.”
“Ik zeg het maar voor de voornamen. Je kan beter meerdere voornamen geven. Ik heb zelf een veel voorkomende naam en een tijdje geleden heeft iemand met dezelfde naam als ik een auto gekocht die bij mij werd geleverd. Het heeft mij maanden gekost om ervan af te geraken, van die foute levering, maar uiteindelijk is het gelukt met mijn tweede voornaam. Die andere persoon had niet dezelfde tweede voornaam als ik.”
“Het is Sam,” zei ik zachtjes. “Gewoon. Sam.”

De verpleegster ging. Lin en ik keken naar elkaar. We keken naar Sam. Het meisje Sam. We wisten dat we hetzelfde dachten, dus zei ik het hardop.
“Twijfel je? Denk je dat we een fout gemaakt hebben?”

We babbelden lang over Sam, en over het leven waar Sam deel van zou gaan uitmaken. Sam het meisje. Want de waarheid is dat wij er weinig om geven, om wat anderen van ons en onze keuzes denken, omdat we ze al honderd keer zelf gewikt en gewogen hebben, met het heetste vuur bestreden, voor we ze nemen. Wij doen niets zomaar mee met de hoop, nooit, het gaat altijd om wat wij willen, wat wij verantwoord vinden voor ons, in ons leven.

Maar dit gaat niet over ons. Dit gaat over een mens buiten ons – ons kind, dat wel, maar een vrije mens die voorlopig volledig afhankelijk is van de keuzes die wij maken en gemaakt hebben, een kind dat zal moeten meestappen in het leven dat wij leiden, in de wijze waarop wij kijken naar de wereld, met de naam die wij haar gegeven hebben. Sam.

“Ik ga nog even googlen,” zei ik toen ik in de late avond naar huis ging. Ik vond cijfergegevens over de naam Sam, over de relatieve populariteit van de meisjesnaam Sam in Vlaanderen en Nederland, in Groot-Brittannië ook. Ik zag dat in een jaar in België meer dan duizend meisjes waren geboren met de naam Sam, meer dan negenhonderd in Vlaanderen, veertig in Brussel en zestig in Wallonië. In Frankrijk waren er in een jaar tweeduizend Sammen geboren, waarvan zes meisjes. Ik dacht, lucky number seven.

In plaats van de volgende ochtend naar het stadhuis te fietsen, ging ik eerst in het ziekenhuis langs. Ik vertelde het resultaat van mijn zoektocht en gaf ook nog een korte forumdiscussie weer op een Frans babyforum. Een moeder had geopperd haar dochter Sam te noemen. Een aantal reageerders vond het volstrekt niet kunnen – jongensnaam! – maar andere vonden het best mooi. Het viel me op dat de toon van de begripvollen veel aangenamer was, minder overtuigd ook van het eigen gelijk. Dat zei ik tegen Lin. Dat degene die afkerig waren, klonken als de typische verzuurde azijnpisser waar wij niets mee te maken willen hebben.

“Het blijft Sam. Toch?”

Ze zei, ik had niet gedacht dat het je zo zou raken. Ik ook niet, zei ik, maar misschien is het omdat ik het niet verwacht had. Ik dacht altijd dat ik de sociale conventies tot diep in hun wortels kende en dat ik me altijd bewust was van het feit dat ik ze doorbrak, dat het altijd een bewuste keuze was – niet dat ik ze doorbreek om te doorbreken, maar dat ik gewoon altijd geweten heb wanneer een keuze onconventioneel is, en dat ik me dan al gewapend heb voor ik stappen zet. Nu ben ik ongewapend. Het komt gewoon zelden voor dat ik ongewapend ben.

Het was aangenaam weer. Hoewel het nog maar half tien was,  fietste ik in een dun truitje naar het stadhuis. Ik meldde me bij de receptie en werd doorverwezen naar een lokaal aan het einde van de gang. Een jonge vrouw, een meisje nog, vroeg me plaats te nemen en nam mijn documenten over: identiteitskaarten, trouwboekje en het formulier van het ziekenhuis. Ze nam fotokopies en vroeg me bij haar collega plaats te nemen.

De collega, een vrouw van een jaar of veertig die best de moeder van het eerste meisje had kunnen zijn, nam mijn papieren door. Ze keek naar het trouwboekje. Ik vertelde haar wat het is. Helemaal in het Nederlands, zei ik erbij, dat is zo in de Belgische politiek. Ik kan vertalen als u wil.

Ze bladerde door het boekje en zette haar vinger onderaan het blad waar de eerste tekst staat. Is dit de stad, vroeg ze vertwijfeld. Ik zei, nee, dat is Nederlands, dat is het Nederlandse woord voor carnet de marriage. Dit is de stad, zei ik, Leuven. Louvain. Ze zei twijfelend, dus ik schrijf Leuven? Ik zei, ja, schrijf maar Leuven.

Daarna begon ze gegevens uit onze identiteitskaarten over te tikken, met twee vingers. Ik krijg steeds sterker het vermoeden dat het in Zuid-Frankrijk verboden is om als ambtenaar met meer dan een viertal vingers te tikken. Uw vrouw is ook geboren in Leuven, stelde ze tevreden vast. En bij u is dat, ze keek naar het woord en dan naar mij. Neerpelt, zei ik. Nèèrpelt, herhaalde ze.

De mevrouw printte een blad af. Dit is een kladversie, zei ze erbij, die moet u even controleren. Ik moest slechts een halve blik op de kladversie werpen.

“Sam is een meisje.”

Ik wees op het formulier van het ziekenhuis, op het woord féminin. Ze verschoot even; zei, excuseer meneer. Ik probeerde de situatie te ontmijnen, droeg opnieuw de statistieken voor. De verpleegsters hadden het er ook moeilijk mee, zei ik, blijkbaar ligt het hier niet voor de hand om je dochter Sam te noemen. Op de vraag of er andere voornamen waren, zei ik nee, op de vraag of ze ook de naam van de moeder zou dragen, knikte ik opnieuw ontkennend. Niet te moeilijk, had Lin gezegd. Niet te moeilijk. Gewoon Sam. Geen gedoe.

Geen gedoe. Dat hadden we echt gedacht. Geen gedoe. En toch schrijven we een Franstalige versie van A boy named Sue.

Geplaatst in Leven | 22 reacties

De wet van de noodzakelijkheid

Het wordt wel warm hoor, hier in Frankrijk. Niet weerkundig, het is hier sinds een paar dagen verschrikkelijk slecht, wel op politiek vlak. Nu de voormalige toekomstige president van de Republiek, François Fillon, vakkundig zichzelf heeft uitgeschakeld, ligt de weg open voor la vague blonde Marine Le Pen. Uit de NAVO en uit de EU, zo zegt ze. Opbeurend is dat niet meteen.

Wat dan weer wel opbeurend is: in De Morgen wordt gebabbeld over de toekomst van links zonder dat daar ook maar een arbeider of gewone bediende aan te pas komt, zonder dat er zelfs maar een echte linkse denker wordt opgetrommeld als ik even stout mag zijn. Dat vind ik bijzonder grappig. Het doet namelijk denken aan al die andere debatten die met een montypythoniaanse ernst worden gevoerd: dat over de islamitische hoofddoek door blanke, westerse mannen; over vrouwenrechten door blanke, westerse mannen; over langeafstandslopen door blanke, westerse mannen; …

De hele affaire-Fillon volg ik op televisie tijdens de middagpauze op het werk. Dat ding staat op, je inhaleert onwillekeurig wat van het gif. Een klein miljoen voor wat advieswerk, waarvan niet eens bewezen kan worden dat het echt is uitgevoerd, ik kan je wel zeggen dat het niet meteen verteerd wordt zoals de gebruikelijke sandwich américain in een kantine waar negentig procent van de mensen smicard is – werknemer betaald aan het wettelijke minimumuurloon van 9,76 euro bruto.

Ik moest onwillekeurig denken aan een citaat van schrijver en reportagemaker Emmanuel Carrère, een scène uit zijn boek Un roman russe waarin hij vertelt hoe zijn kersverse vriendin Sophie, een bediende, haar intrede maakt in zijn vriendenkring.

Dire qu’on fait des manuels parascolaires ou qu’on est au guichet de la Sécurité Sociale, c’est dire: je n’ai pas choisi, je travaille pour gagner ma vie, je suis soumise à la loi de la nécessité. Cela vaut pour l’écrasante majorité des gens, mais autour de cette table tous y échappent et plus la conversation continue, plus elle se sent exclue.

Wat betekent het om te ontsnappen aan de noodzakelijkheid? Ik heb er geen idee van. Wat als Frankrijk volgend jaar echt uit de EU stapt? Verhuizen we dan definitief? Of moeten we toch maar eens wat dieper nadenken over iets wat tijdens onze wandelingen al vaker ter sprake is gekomen: de Franse nationaliteit nemen. Hoe pythonesque zou dat overigens niet zijn, dat een mens die tot in zijn diepste vezels huivert voor het nationalisme zich bezig moet gaan houden met nationaliteitskwesties.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Banden met de waarheid

Misschien moet er voor ons een nieuwe term bestaan, zei ik. De anti-fomo. Fofi. Goeie naam dacht ik, fofi. Yolo swag fomo – fofi. Het ging er overigens over dat wij er vaak zo gigantisch tegenop zien om mee te doen met vanalles en nog wat. Dat wij, als we eens voor een feestje worden uitgenodigd, de neiging hebben om te zeggen: alweer! Terwijl de laatste keer meer dan een maand geleden is.

We zijn dus voor een feestje uitgenodigd. In augustus. Oef. Kijken of we dan vrij zijn. Nou. Tussen hier en mijn dood staat er één ding in mijn agenda: de Puy de Dôme beklimmen. We gaan namelijk deze zomer een week met de hele familie kamperen aan de Puy de Dôme en het zou volstrekt idioot zijn om dan geen koersfiets mee te nemen om even rond dat bergje omhoog te klimmen. Sinds Eddy Merckx het daar aan de lever kreeg, mag daar slechts op gezette tijden omhoog gefietst worden, vandaar dat het een agendamomentje is.

Augustus ging dus wel. Onze vrienden, Engelsen op respectabele leeftijd, hebben last van fomo. De fear of missing out zoals dat in schoon Vlaams heet. De angst dat er ergens een pint wordt gedronken zonder dat jij er een slok van neemt, zoiets. Wij zijn eerder het always in the kitchen at parties-type, vrees ik. Fofi’s. De fear of fitting in. Er zijn namelijk dagen dat ik mezelf afvraag of ik echt liever alleen gelaten word of vooral mezelf wijsmaak dat ik liever alleen gelaten word. Op zo’n dagen word ik vreselijk moe van mezelf en kruip ik een uurtje eerder onder de wol.

Het komt er op neer dat ik niet altijd goed weet wie of wat ik dan eigenlijk wel ben. Daar moeten meer mensen last van hebben, dat ze dat niet weten. Niet over zichzelf dan, bedoel ik, de meeste mensen kan het vast niet schelen wie of wat ik dan eigenlijk wel ben. (Oh, wat voel ik de vermoeidheid weer galopperen.)

Ik vroeg het dan maar aan facebook. Dat weet u, want Edward Snowden heeft daar iets over gezegd, dat facebook het grootste big data-bestand ter wereld aanlegt, dat het bedrijf op dit eigenste moment eigenlijk al beter weet wie je bent dan jij zelf of je teerbeminde vrouw met wie je sinds gisteren zes gelukkige jaren getrouwd bent. Ik vroeg dat niet aan facebook zelf maar aan een algoritme dat een of andere zeergeleerde aan een universiteit had ontwikkeld en dat met je facebookprofiel aan de slag gaat. Griezelig correct, had ik bij anderen over dat algoritme gelezen.

Resultaat: ik ben een conservatieve vrouw, die zeer goed in touch is met haar mannelijke kant. Ik heb meer dan waarschijnlijk geen relatie maar als ik er een zou hebben, is dat meer dan waarschijnlijk met een vrouw – in de verklaring die ik om evidente redenen niet verder heb uitgeplozen, zag ik enkel een flits van het hoofd van Johnny Cash, een van de weinige artiesten die ik op facebook een duim heb gegeven.

Lang geleden heb ik hier al eens geschreven: de beste manier om de leugens over jezelf in bedwang te houden is ze zelf verspreiden. Voorlopig denk ik dat ik best even mijn banden met de waarheid aanhaal.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Een kind van isolationisten

De eerste keer ben ik meegegaan naar de prenatale klassen. Het is een vijftal minuten fietsen naar het ziekenhuis, een kleine moeite om dan anderhalf uur voor spek en bonen bij een groepje vrouwen te zitten. Ik was namelijk de enige man. Dat was niet echt verwacht.

Onze Engelse vrienden N. en L., die in Londen wonen maar een vakantiehuis hebben in de straat waar we vroeger woonden, hadden ons enthousiast verteld over de prenatale klassen. Dat ze er vrienden gemaakt hadden, en nu hun dochter vier jaar is nog steeds met die vrienden afspreken. Met dat idee was ik dus opgereden.

Probleem is dus dat andere mannen niet naar de prenatale klassen komen. Ik heb het er na die ene keer ook maar bij gelaten, je voelt je toch een indringer. Groter probleem is echter dat de andere vrouwen in de klas totaal niet interessant zijn. Dat klinkt waarschijnlijk enorm grof, laat het dan ook maar enorm grof zijn, maar wij – en in dit geval dus vooral Lin, die tenslotte wel elke keer naar die klas gaat – zijn op dat gebied gewoon heel moeilijke mensen. Met heel weing vrienden, overigens.

Het thema van het klasje was borstvoeding geweest. Lin blijkt de enige die borstvoeding wil geven. De andere meisjes, een stuk jonger dan ons, wilden het niet eens proberen. De vroedvrouw vond het onnodig om in te gaan op de voordelen van borstvoeding, de natuurlijke voordelen die het een kind biedt, want ze wilde niet dat vrouwen zich schuldig zouden gaan voelen als ze geen borstvoeding geven.

Dat is, denk ik, een probleem. Niet dat sommige vrouwen geen borstvoeding geven, maar dat deze informatie gewoon niet gegeven wordt om mensen emotioneel te sparen. Of dat je niet mag zeggen dat vrouwen die het zelfs niet willen proberen, een slechte keuze maken. De redenen die twee meisjes onder elkaar opgiechelden waren namelijk de volgende: de ene vond het gewoonweg een vies idee, de andere had altijd gedroomd van haar kindje dat in de sterke armen van haar papa een flesje lag te drinken, dus ja, die borst kwam daar eigenlijk enkel in de weg staan.

Daar niks van mogen, of willen, of kunnen zeggen. Dat we daar zijn gekomen. Dat zet onze isolationistische koers wel weer even op scherp, ja. Want eigenlijk hebben wij allebei volstrekt geen interesse in dat soort mensen uit de prenatale klasjes, we krijgen het zelfs niet geveinsd. Nu maar hopen dat we de volgende jaren een beetje over onszelf geraken  zodat tenminste ons kindje ooit aan vrienden gaat geraken. Al waren het er maar een paar ingebeelde.

Geplaatst in Leven | 8 reacties

Meer is in mij

Ik fiets liever naar het nieuwe werk dan terug. Let wel, het gaat dan enkel om de fietstocht, niet om het feit dat ik liever op het werk zou zijn dan thuis want dat is, laten we wel wezen, absoluut niet het geval. Het werk ligt ten zuiden van Tarbes. Dat is de reden dat ik liever naar het werk fiets dan naar huis.

De weg naar het zuiden loopt licht bergop. Het zicht op de bergen is er, en ik wik mijn woorden, adembenemend. Zeker nu, nu de sneeuwgrens weer een paar honderden meters gedaald is. Wat zo anders is aan de bergen hier ten opzichte van de Gers, is dat er meer reliëf is. In de Gers was het vooral de wijdsheid van het panorama, nu gaat het meer om het detail.

Dat de weg oploopt, is dus niet erg, want het geeft me meer tijd om naar de bergen te kijken.

Bij de terugkeer liggen de bergen in mijn rug. Voor me de vlakte, de torens van Solazur en het hospitaal waar over anderhalve maand mijn dochter ter wereld mag komen. Het is van een industriële schoonheid, een schoonheid die wat mij betreft geen schoonheid is.

Behalve. Er zijn dagen, en vandaag was zo’n dag, dat de wolken met een samoeraizwaard lijken afgesneden. Een rechte, strakke lijn tussen donker en licht. In de Gers zaten we op zo’n dagen zonder uitzondering in het lichte gedeelte en gloorde de zwarte wolkenlucht aan de horizon. Vandaag was dat omgekeerd. Ik reed onder zwart, achter de snede was het wit met roze en lichtpaars. Een prachtig schouwspel.

Ik wilde dat ik meer over de wolken kon schrijven, met betere woorden. Ik zou het moeten kunnen, ik kom uit een bewolkt land, bevolkt door een bewolkt volk. Ik zou moeten kunnen, meer is in mij.

 

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Pour une nullité

Op een koude vriesochtend fietste ik naar de Arsenal. Dat het is kwartier ten noorden van het station, waar lang geleden de wapenfabrieken waren. Het kwartier is in volle reconversie, het uitgaanscentrum van Tarbes ligt er. Wij komen daar nooit. Ik moest bij een oude vriend zijn, de pôle emploi. Om een test af te leggen.

Voor ik in de conservenfabriek ging werken, had ik bij een ander bedrijf gesolliciteerd. In de tussentijd hadden ze een paar keer gebeld, gemaild ook. Vlak voor nieuwjaar ging ik naar een collectieve bijeenkomst op het bedrijf. Zeven kilometer fietsen, als ik door het park steek bij vertrek. Haalbaar. Bereikbaarheid is voor mij altijd de belangrijkste vereiste geweest om een job aan te nemen. Op dit moment zou ik zelfs zeggen: de enige vereiste.

Ik zou dus een test afleggen bij pôle emploi, de Franse VDAB. Een MRS, zoals zij het noemen, een méthode de recrutement simulé. Vier uur zou deze test duren, wat me schromelijk overdreven leek. Fransen overdrijven graag. De test bleek effectief vier uren te duren. We waren met acht. Ik was de tweede om af te geven.

Er was een gedeelte op computer, er waren zoekopdrachten in teksten, begrijpend lezen. We moesten een officiële brief schrijven, volgens de regels van de kunst, met alle oubollige formuleringen die ik intussen wel ken van honderden motivatiebrieven te schrijven. Er was ook een mondeling gedeelte, waar ik een beetje de draad kwijtraakte. Er werd niet gevraagd naar mijn accent.

Ik passeerde de test, moeiteloos zelfs. Ik mocht op sollicitatiegesprek. De groep was gehalveerd. Dat was vorige week. Vandaag ben ik dan begonnen, mogen beginnen is een beetje te veel eer voor dit soort werk. We zijn nog met twee van de aanvankelijke acht, aangevuld met negen andere. Eentje is al weer afgehaakt. Met tien zijn we, in opleiding.

Dat gaat zo nog drie weken duren, dan moeten we operationeel zijn. Hele dagen denken en praten in het Frans. Moet lukken. Ze hebben immers pas na anderhalve lesdag door dat ik niet Franstalig ben. Had ik die Humo thuisgelaten, was het misschien anders geweest.

Het is een hele hoop gedoe om uiteindelijk gewoon op een klantendienst te gaan werken. Telefooncentrale spelen, hele dagen lang. Klachten behandelen over producten waar ik op dit moment geen bal van weet: televisie, gsm, telefoon, internet. Drie van de vier gebruik ik nooit.

Als je zelf naar die diensten belt, denk je niet meteen te spreken met mensen die een examen, een sollicitatie en drie weken opleiding – met allerhande evaluaties – achter de rug te hebben. Dat is dan ook het enige wat mij een beetje rechthoud: die anderen gaan er niet veel meer van weten dan ik. En het feit dat ik beter Frans spreek dan hen, want net omdat ik minder goed Frans spreek, maak ik geen fouten tegen informeel taalgebruik, dialect en ander onverstaanbaar gemompel. Hoop ik.

Geplaatst in Leven | 4 reacties

Overjaren

Jaaroverzichtje, toch? De traditie is dat ik een reeks onsamenhangende zaken schrijf over een jaar waar ik verder weinig over nagedacht heb en dat het dan uiteindelijk toch weer vooral over fietsen gaat. Eerst dat fietsen dus.

5000 km en achthonderd meter, op de valreep, vandaag nog drie uur voor op de fiets gezeten. Veel minder ritten (65) dan vorige jaren maar gemiddeld een stuk langer. Minder cols ook, terwijl ik toch vaker naar de bergen ging. Dat komt omdat ik vroeger met de auto naar de bergen reed, er drie deed, en dan terug. Nu vertrek ik thuis, rijd anderhalf uur door de vallei en één col, dan terug. Meer kilometers, minder cols. 5000 km is goed, aangevuld met 470 loopkilometers, te weinig regelmaat daarin en – opnieuw binnengekomen in de lijst – 158 kilometer in het zwembad. (Ja, ik houd dat allemaal bij en ook dat is een vorm van leven.) Mooiste ontdekking: de klim naar Germs-sur-l’Oussouet, zowel op de fiets als te voet.

Ik heb mijn oude zwemtrainer Fons teruggezien. Dat was veruit de meest deugddoende ontmoeting van het jaar. De vorige laatste keer dat ik hem zag, moest ik nog het leger in en gaan studeren, dat is een half leven geleden – voor mij toch. Ik zat een ijsje te eten met mijn vrouw en hij kwam ijs halen voor zijn kleinkinderen. Hij vroeg me of ik me nog herinnerde hoe we samen ooit naar Kapellen reden om een Belgisch record te zwemmen; ik was vooral verrast dat hij spontaan daaraan dacht, aan die dag die een van de mooiste uit mijn jeugdjaren was, en dat ik me realiseerde dat het ook voor hem een mooie dag geweest moet zijn.

Dingen veranderden. Ik verkocht een huis, kocht een ander en deed daarin belachelijk veel opknapwerk. Ik werd opnieuw stadsmens, ging vaak naar de bibliotheek en naar het zwembad. Ik woonde een maand bij mijn ouders in huis, waar ook mijn grootmoeder toen verbleef. Zo kwam de avond dat ik mijn grootmoeder naar bed bracht, aan mijn arm op de trap, dat ik haar ongerustheid wegnam over de pillen die ze al dan niet genomen had. Ik smeerde boterhammen voor een vrouw die jaren voor mij boterhammen smeerde, cake bakte, caramelpudding opzij zette voor als ik zondag na de zwemwedstrijd binnenliep.

Er waren vier jobs waar verder weinig over te melden valt behalve dat het gemakkelijker is in de stad om jobs te vinden, als je tenminste niet te kieskeurig wil zijn. Met niet te kieskeurig bedoel ik, voor alle duidelijkheid, dat je bereid bent eender wat te doen. Ik ben nog steeds bereid, al was het maar uit sociologische interesse.

Ik kwam nog eens in de gazet, het Belangske uiteraard, maar dat ging weer over fietsen, over de passage van de Tour in de Pyreneeën meer bepaald, en dat hebben we denk ik al gehad.

Beste muzikale moment was op een feestje deze zomer, zo’n feestje waar iedereen instrumenten bijheeft en we plots met een man of zeven die nooit samenspelen Nobody knows you when you’re down and out en daarna With a little help from my friends brengen. Ik deed zang en gitaar, op de momenten dat ik niet omvergeblazen werd door piano, trompet, mondharmonica, viool en dwarsfluit.

Ik las veel boeken en De solipsist van Wilfried Hendrickx krijgt de eervolle vermelding het juiste boek op het juiste moment geweest te zijn. Ik heb een stuk of drie films gekeken maar ik zou bij god niet meer weten welke.

De mooiste overnachting was in de auto, met vrouw en hond, op de flanken van de Jaizkibel. Dat is de berg tussen Hendaye en San Sebastian, de stad die jaarlijks op het programma staat. Pamplona was niet veel, behalve dat ik er in een barretje Greg Van Avermaet Olympisch Kampioen wielrennen zag worden.

Lin werd zwanger. Zeven maanden van dit jaar bracht ik door met de angst, de berusting en het enthousiasme een kind op de wereld te zetten met de enige persoon die er, als puntje bij paaltje komt, voor mij echt toe doet. Daarmee is, denk ik, de fond voor het volgende jaar weer gelegd.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Raakvlakken

We waren een week in België. De ritten moesten in twee dagen want een vrouw in haar laatste trimester zwangerschap zit beter niet ellenlang in de wagen. Ik had tot de avond voordien gewerkt, gelukkig was het niet uitgelopen zoals de dagen voordien. Het rijden ging rustig, we sliepen in een luizig hotel in Compiègne.

België was raar. Een bezoek aan Leuven zat er niet in door omstandigheden. We waren gedwongen de week door te brengen in Limburg. Dat klinkt erg, dat gedwongen, maar daar kwam het een beetje op neer. Limburg is rustig, dat wel, en rustig is altijd goed. Maar wat doe je in godsnaam een hele week?

Ik ben geen voorstander van naar België gaan in de winter. Lin zou zeggen: laat dat in de winter maar weg. Ik ben geen voorstander van naar België gaan. Dat het gewoonlijk in de winter gebeurt, maakt het er niet leuker op. In een nazomer zouden we lange tandemtochten kunnen maken, bitterballen met pils op de markt van Eindhoven, trappist in Achel, dat soort dingen.

Ik had grote plannen – twee boeken lezen, een lang artikel afwerken – en van beide kwam niets in huis. Zo gaat het ook altijd. Ik neem spullen mee, zoals een computer en boeken, en uiteindelijk haal ik ze niet eens uit mijn tas. Ik heb hele dagen niets te doen en het gevolg is dat ik, op een wandeling en een looptoertje na, ook effectief niets doe.

Ik dronk alcohol, bijna dagelijks. Dat is iets wat ik in Frankrijk nauwelijks nog doe. Met de zwangerschap komt het er helemaal niet meer van. Een fles wijn alleen? Dat wordt aan het einde gewoon een corvee, het duurt bijna een week om ze leeg te krijgen. In België lukt het wel. Misschien is het gewenning, dat het daar zo gewoon lijkt, of gewoon verveling.

We keken televisie en verwonderden ons over de vele storende reclame en de banaliteit van de meeste programma’s. Ook daarvan zijn we blijkbaar harder afgekickt dan we denken. Het enige wat we nog deden was het Groot Dictee, aan de vooravond van de terugreis. Vroeger deden we het thuis ook samen, dat Groot Dictee. Het is zowat de enige keer dat mijn ouders echt televisie kijken, samen, als een gezin.

Ik maakte zes fouten, hoewel het er volgens de telling van mijn moeder meer zijn. Ik tel een fout als een woord fout geschreven is, mijn moeder gaat per letter kijken. Als ik “dystimie” schrijf in plaats van “dysthymie” – een woord dat ik niet kende – is dat voor mij één fout, voor mijn moeder zijn het er twee; de vergeten h en de foutieve i.

Ik weet niet hoe de jury daar telt, maar zelfs volgens mijn moeder haar telling zou ik goed scoren. Dat is altijd zo geweest in het Groot Dictee, dat ik goed scoorde. Ik dacht er nooit echt bij na, schreef alles intuïtief en meestal was mijn intuïtie gewoon correct. Nu is dat anders, ik merkte dat het mij meer moeite kostte dan vroeger. Ik moest langer nadenken over eenvoudige woorden, woorden die bij de verbetering niet eens als valstrik werden geduid. Of misschien moest het niet maar ging ik het doen, omdat ik nu een meertalige geest heb. Ik betrap me er vaak op in het Frans te denken of tegen mezelf te spreken. Taal heeft op die manier een deel van haar evidentie verloren.

We vierden een soort van Kerstfeest, we lazen elkaar nieuwjaarsbrieven, mijn petekind en ik. Het klopte niet maar het was wel aangenaam.

De terugrit ging over Bordeaux in plaats van Limoges en Toulouse. Dat is even ver maar sneller en vooral rustiger. Frankrijk was een mistwolk en wij reden daar door, naar het hotel in Bordeaux. Ik keek naar biathlon. De winnaar, een Fransman, traint deze week in Gavarnie, op een boogscheut van hier.

We zijn thuis nu, we zijn thuis hier. Dat blijft een beetje moeilijk in de familie, dat dit onze thuis is. We gingen naar de voorbereidende pufklas, ik was de enige man. We maakten geen vrienden, we zagen geen raakvlakken met de andere toekomstige moeders. Het is niet omdat je ook een kind krijgt dat je voor de rest veel gemeen hebt. Zo gaat het altijd, denk ik, in ons leven, dat we wel lijken op de mensen rondom ons maar eigenlijk ook weer niet. En dat we geen contacten leggen, want het is wel goed zo, met een man en een vrouw en een hond en een kind op komst.

Geplaatst in Leven | 3 reacties

Het geduld van de klimmer

Begin december. Ik vertrek rond half twaalf, in korte mouwtjes en broek. Het is fris maar de zon warmt de lucht op. Ik fiets richting Lourdes, vooral langs binnenwegjes, enkel rond het bedevaartsoord is een stukje grote baan niet te vermijden.

Ik passeer de Pic du Jer. Daar is het tien graden frisser dan de twaalf graden of zo die het in de zon zijn. Het stuk weg naast de Pic du Jer ziet tijdens de korte maanden nauwelijks zon, de Pic is te steil en de weg ligt er pal naast. Het is alsof er een koudegolf aan de rotswanden kleeft. Ik doe mijn mouwtjes aan.

Hautacam, dat is mijn bestemming. Twee weken geleden fietste ik in bewolkt, frisser weer naar La Mongie, het skistation op vier kilometer van de top van de Tourmalet. Voorbij La Mongie was de sneeuw niet geruimd maar dat wist ik dankzij de website inforoute die ik trouw volg.

Zo laat op het jaar heb ik nooit eerder gefietst in de bergen.

Ik weet precies wat het is dat me zo aantrekt in klimmen: het geduld. Ik ben verslaafd aan het geduld om thuis te vertrekken, om vijfendertig kilometer door een oplopende vallei te fietsen naar de voet van de beklimming, om te kijken naar de berg die je gaat oprijden en in te schatten waar op die flank de weg ergens kronkelt.

Het geduld om daarna die klim aan te vatten, om van aan de voet een tempo te rijden waarvan je weet dat je het kan aanhouden, ruim een uur lang, zonder in het rood te trappen. Dat alles dan kadans wordt en je gedachten alle richtingen uit kunnen.

Ik ken deze beklimmingen als mijn zakdoek, de Tourmalet en Hautacam. Ik weet perfect waar het steiler wordt en waar ik even adempauze heb – op Hautacam dan. Op Tourmalet is er na Gripp, dertien kilometer van de top, eigenlijk geen adempauze meer. Tenzij vijftig meter aan de waterval, daar is het even wat minder steil. Hautacam is anders, zeer onregelmatig, met moordend steile stukken waarvan ik perfect weet hoe lang ze duren, hoe snel ik er kan fietsen, waar mijn volgende rustpunt komt.

Als een sluipmoordenaar fiets ik omhoog. Ik geef geen kik, blijf gewoon doen wat ik doe en wachten tot het moment gekomen is om de trekker over te halen, wetende dat de kans groot is dat ze niet komt – de trekker moet enkel overgehaald als er iets gebeurt, in dit geval als ergens onverwacht mijn benen haperen of mijn ademhaling stokt.

Dat gebeurt wel eens tijdens de warme zomermaanden, dat plots mijn ademhaling stokt. Dat het lijkt of ik geen zuurstof meer in mijn longen krijg. Nu niet. Het is, en dat lijkt me niet eens zo raar, veel aangenamer een col te beklimmen bij tien graden dan bij achtendertig.

Voorbij de Pic du Jer. Ik zou aan de overkant van de Gave moeten fietsen, daar staat de zon en is het warmer. Het is echter ook omweg en de uren zonnewarmte zijn beperkt. Om één uur, dan is de aarde opgewarmd en is de lucht aangenaam, en dat duurt zo tot een uur of half vier.

Het gaat van vriespunt naar net geen twintig graden naar vriespunt, zo op een zonnige vroegwinterdag in de Pyreneeën. Twee seizoenen in enkele uren.

Op Tourmalet twee weken geleden kwam ik bijna niemand tegen. Een mountainbiker, twee auto’s en een koppel dat op Pas de la Barane, helemaal beneden nog, een picknick opzette langs de kant van de weg. Op Hautacam is het drukker, er zijn wandelaars. Andere fietsers zie ik niet.

De weg is open, helemaal tot boven. De sneeuwgrens ligt hoog, op vijftienhonderd meter. Dat was ook zo op Tourmalet, aan de eerste van drie galerijen lag een miezerig hoopje te verpieteren. Op Hautacam zie je dat de sneeuwgrens opnieuw is opgeschoven, dat ze vorige week lager lag. Er is wat gruis achtergebleven op het wegdek, in onbelichte bochten zelfs wat ijzel.

Ik rijd boven. De weg naar Tramassel is zelfs open, dat is een dikke kilometer voorbij Hautacam, een steile kilometer ook. Ik rijd naar Tramassel. Het moet nu een uur of twee zijn, de temperatuur is aangenaam. Mensen zitten in dunne truitjes op het terrasje van de herberg. Ik zet een muts op, doe een windstoppertje aan. Handschoenen heb ik niets eens mee.

Een kleine drie uur fietsen is het tot boven op één van deze cols. Drie prachtige, geduldige uren om mentaal helemaal in jezelf te keren terwijl je lichamelijk uitplooit. Er is niets mooier dan dat, denk ik elke keer, niets mooier dan een berg opfietsen. Het begint al met de voorpret tijdens het ontbijt en het duurt voort tijdens de afdaling, tijdens de lange weg terug door de aflopende vallei, naar de stad waar het leven wacht.

Thuis denk ik: december. Ik rijd Hautacam op in december, want het kan. Hoe ongelooflijk groots en klein tegelijk kan geluk eigen zijn?

Geplaatst in Leven | 3 reacties

De beste investering van 2016

Drie! Honderd! Vijftig! Applaus. Om 6u30 ’s ochtends.

De eerste keer dat ik er over hoorde, was het iets van tweehonderd en zoveel. Dat ging richting record. Nog nooit was er langer dan, weet ik niet meer, een bepaald aantal dagen, geen werkongeval geweest. Dat wil zeggen: geen ongeval op de werkvloer met werkonbekwaamheid tot gevolg. Bij driehonderdvijftig zouden we koffiekoeken krijgen, werd op een dag gezegd. Vandaag was de dag dat we aan driehonderdvijftig dagen zonder werkongeval met werkonbekwaamheid tot gevolg zaten.

Zo ver had het niet hoeven komen.

Vorige week bediende ik de sertisseuse nummer 1. Een sertisseuse is een machine die deksels op blikken vastmaakt. Ik weet niet hoe dat in het Nederlands heet, maar laat ik het een dekselaar noemen. Alle vier de dekselaars zijn verouderd, moeilijk afstelbaar maar de één is de ergste.

De één loopt om de vier voet vast. Dan kroop altijd iemand in die machine, deed een hoop handelingen, zette de machine weer aan. Soms moest er een mecanieker aan te pas komen. Het duurt een eeuwigheid voor de mecaniekers gevonden zijn en nog langer voor ze de machine aan de praat krijgen.

Na enkele dagen kroop ik zelf in de dekselaar. Ik liet me begeleiden door I., mijn lijnoperator met twintig jaar ervaring. Roer induwen, naar links draaien. Geplette blikken verwijderen. Verder draaien, ook het eerste blik uit de lijn verwijderen. Klep open, mal open. Deksels verwijderen. Mal dicht, klep dicht. Machine vlug schoonspuiten. Roer uit. Knop op manueel. Tien blikken manueel laten draaien. Stoppen. Uit de dekselaar klimmen – daarvoor moet je op handen en voeten door een luikje. Luikje dicht, noodknop uit, laadknop aan, rolband aan, dekselaar aan.

Het lijkt eenvoudiger dan het is. Vooral het verwijderen van de geplette conservenblikken is een ellende. Er liggen drie verschillende pookstokken om ze los te slaan, daarna komt het er op aan ze met de hand los te wrikken.

Vorige week liep de machine drie keer vast op een half uurtje. Ik kroop in de dekselaar. De geplette blikken zaten wel heel vast. Ik pookte, een eerste blik loste. Een tweede even later ook. Het derde zat zo geplet dat ik de lijn niet kon terugdraaien middels het roer. Ik ging met mijn linkerhand de machine in. Nam het blik. Wrikte even. Wrikte nog eens. Beweging. Het blik verschoof een fractie van een millimeter. Ik wrikte wat harder. Drie fracties van twee millimeter. Ik wrikte nog wat harder, nog wat.

Ik voelde het metaal mijn vinger ingaan. Bewoog mijn vinger weg van de metalen pin. Die bleef steken, ging wat dieper mijn vinger in. Er moest een of andere weerhaak in het metaal zitten. Mijn vinger zat vast.

Ik bewoog mijn vinger opnieuw, langzaam. Niet los te krijgen. Ik zag de eerste druppels bloed via mijn gescheurde handschoen over mijn vinger lopen, richting handpalm. Ik bewoog mijn vinger opnieuw. Muurvast.

Ik dacht aan de crèmepaté die mijn lichaam insloop. Dat wil zeggen: de cut voor de crèmepaté. Gemalen vlees, ongesteriliseerd, ongepasteuriseerd. Ik dacht aan de substantie die zich met mijn bloed vermengde. Ik dacht aan de driehonderdvijftig dagen. Ik dacht aan Stéphanie.

Stéphanie is de verpleegkundige van het bedrijf. Wie een contract tekent, moet eerst bij Stéphanie langs. Ze stelt wat vragen, meet je bloeddruk en je hartslag, dat soort dingen. Wat ben jij een ongelooflijk kalme mens, had ze gezegd, echt heel kalm.

Ze vroeg naar mijn vaccinatiekaart maar ik heb helemaal geen vaccinatiekaart. Ik zei dat ik mijn vader zou bellen, die is arts. Ik zei dat ik normaal met alles in orde ben, behalve misschien tetanus. De laatste keer dat ik tetanus kreeg, was in het leger. Ik zei dat het zeventien jaar geleden was dat ik op militaire school zat. (Is dat al zeventien jaar geleden? Pfoe.)

Dan moet je die opnieuw, had Stéphanie gezegd. Ik was bij de apotheek een vaccin gaan halen en voor mijn eerste werkdag zette Stéphanie mijn tetanusspuit. Daar dacht ik aan, toen mijn vinger vast zat aan een geplet conservenblik vol rauw vlees in de dekselaar.

Ik rukte wat harder aan mijn vinger, nog wat harder. De vinger loste. Het blik kwam mee. Bloed liep langs mijn hand, er bleven druppels achter op de vloer toen ik de dekselaar verliet. Ik riep Franck, die mijn vinger ontsmette op de EHBO-post. Het was een heel klein wondje, heel klein maar diep. Het bloeden wilde niet meteen stoppen. We draaiden een drukpleister rond mijn vinger en een drukpleister rond de drukpleister. Ik deed opnieuw handschoenen aan, links één maat groter nu.

Toen ik in de namiddag thuis kwam, maakte ik de drukpleisters open. Mijn vinger was blauw, er was een vreemde uitstulping op. Dus deed ik het minuscule wondje opnieuw open, liet wat bloed vloeien. Ik ontsmette opnieuw, met een straffer ontsmettingsmiddel deze keer, en draaide een gewone pleister rond de vinger. ’s Anderendaags was hij blauw, daarna was de kleur opnieuw normaal.

Een week later is de wonde dicht. Als ik er op druk, lijkt het of ik het weerhaakje van het blik nog in mijn vinger voel. Ik druk niet vaak op mijn vinger, het gebeurt vooral wanneer ik gitaar speel of, zoals nu, op een toetsenbord tik.

Daar zal ik aan denken, wanneer ik vrijdag mijn koffiekoek eet. Ik zal denken aan de tetanusspuit, de beste investering van 2016, aan rauwe crèmepaté en aan Stéphanie. Smaken zal hij niet, de koffiekoek, maar iets waar mensen driehonderdvijftig dagen op willen wachten moet op een of andere manier toch de moeite waard zijn. Laat ik daar maar op rekenen.

Geplaatst in Leven | 4 reacties

Een symmetrische schoolslag

In de auto luister ik Radio Inter. Twee wetenschappers waren gefascineerd geraakt door natuurlijke dyssymetrie -bestaat dat woord ook zo in het Nederlands? De presentator vroeg hoe zij voor dit weinig alledaags onderwerp interesse kregen. Een van hen vertelde dat hij vroeger competitie zwom maar vaak gediskwalificeerd werd omdat zijn schoolslag niet symmetrisch was. Hij was zelf stomverbaasd maar bleek dus werkelijk niet in staat een symmetrische schoolslag uit te voeren.

Om maar te zeggen: ik heb het zwemmen weer opgepikt. Toen het zwembad twee maanden gesloten was voor dringende werken, ben ik geen enkele keer naar het vervangbad gegaan, nochtans maar tien minuutjes verder fietsen. Ik dacht toen het toch ook weer niet zo nodig te hebben. Ik had het mis.

Nu ik in ploegen werk, heb ik tijd om op rustige momenten te zwemmen. Het zwembad is Olympisch, dubbel zo lang en breed als de bakken waarin ik als jongere trainde, er is ruimte. Negentig procent van de tijd zwem ik op een wijze die ik vroeger loszwemmen noemde: rustige slag, traag tempo, gewoon glijden. Meestal ga ik maar een half uurtje en zwem ik twee kilometer, onderverdeeld in twee keer een kilometer met een half minuutje rust.

Dat doet bijna niemand meer, denk ik, gewoon glijden. Mensen hebben nu hulpstukken.

Ik herinner me nog dat ik lang geleden met mijn trainer – en tweede vader – ooit in Genk zwemvliezen ging kopen. Dat was toen zo. Je kon niet zomaar een sportwinkel binnenstappen om goede zwemvliezen te vinden, of zelfs maar slechte; of paddles, een plankje – nu veelal bekend als kickboard – of een pullbuoy. Daarvoor moest je naar de speciaalzaak. Dat is nu niet meer zo. In Decathlon vind je alle hulpstukken, en niet eens van ondermaatse kwaliteit.

Het gevolg is, uiteraard, dat zowat een of drie mensen met hulpstukken zwemt. Vaak komt dat neer op een zwemmersequivalent van de zwaarlijvige vijftiger die op een carbonfiets van een paar duizend euro tegen tweeëntwintig per uur over het jaagpad van terras naar terras koerst.

Vorige week zwom in mijn baan een man schoolslag met paddles en zwemvliezen. Tja. Dat is alsof je met je carbonfiets gaat hinkstapspringen. Het leek ook wat op een reeks hinkstapsprongen, de ongecoördineerde manier waarop de man zwom. Symmetrisch was het niet, maar dat lijkt me ook niet evident voor een schoolslag met paddles en zwemvliezen.

Wat ik er uiteindelijk weer interessant aan vind, is het consumptiegedrag: iets bestaat dus moet ik het hebben. Mensen hebben decennialang gezwommen zonder hulpstukken, nu doen ze het allemaal met. Waarom? De meeste weten niet eens hoe ze ze juist moeten gebruiken, welk nut ze hebben, welke plaats ze innemen in een trainingsfilosofie. Dus moet je het de marketeers toch maar weer nageven: ze slagen er weer maar eens in mensen spullen te doen kopen, mensen te doen geloven dat ze deze spullen nodig hebben en er beter van worden.

Wat ze, alles wel beschouwd, dus niet doen.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Een goede chef

Ik heb een haat-verbijsteringverhouding met een van mijn collega’s. Eigenlijk moet ik zeggen: met een van mijn ondergeschikten. Ik ben namelijk chef van ons groepje van vier. Een goede chef, zeggen zij. Vast een teken dat je het net niet bent, zeggen vrienden. Daar heb je vrienden voor.

Ik ben natuurlijk geen goede chef, en door het niet te zijn, ben ik het vermoedelijk net weer wel.

Tijdens onze shift is het werk altijd gedaan, vaak zelfs meer dan voorzien, en er komen al weken geen achterstallige fouten meer binnen. Integendeel, we hebben achterstallige fouten van de andere ploeg rechtgezet zonder dat onze productie in het gedrang kwam. Dat speelt zeker in mijn voordeel.

Ze gaan van je profiteren, had mijn chef gezegd – hoe je het ook draait of keert, je zit altijd geprangd tussen niveaus van de voedselpiramide. Hij vond dat ik te veel van het werk van mijn ondergeschikten deed, en dat zij dat als evident zouden gaan beschouwen waardoor ik verplicht zou zijn, en blijven, een deel van hun werk te doen.

Ik doe al enkele weken een deel van hun werk. Het is namelijk zo dat ik niet geloof dat we onze productie zouden halen als ik niet een deel van hun werk overneem. Bovendien heb ik tijd om een deel van hun werk te doen zonder dat mijn taken er onder lijden. Dat zeg ik ook zo tegen mijn baas, die me dan zegt dat ik ongelijk heb, maar dat maakt mij geen zak uit. Ik werk hier toch maar enkele maanden, ik probeer mijn werk goed te doen en verder interesseert het mij bijzonder weinig. (Er is ook een tijd geweest dat het mij wel interesseerde om andere mensen te overtuigen dat mijn aanpak werkt, maar dat pakte altijd uit dat ik verschrikkelijk neerslachtig werd en alles bij het oude bleef. Nu blijft alles bij het oude zonder dat ik er neerslachtig om moet worden. En zoals gezegd: ik heb mijn cijfers mee. Dat is gewoonlijk voldoende om ze van mijn rug te halen, de zeikerds.)

Mijn collega-ondergeschikte dus.

Een groot verschil, denk ik, tussen mezelf en mijn drie collega’s is dat ik op zoek ga naar systematiek. In het werk, en vooral in wat er op dat werk fout loopt. Er loopt namelijk altijd iets fout. Een conservenmachine die niet werkt, een lijn die niet vloeiend loopt, producten die met een kleine beschadiging arriveren, prints die niet correct worden weergegeven. Ik observeer, leer mijn machines kennen, stel bij en wanneer een probleem enkele dagen later opnieuw opduikt, kan ik het in een fractie van de tijd herstellen. Dat blijkt mijn drie collega’s minder goed te lukken. Bij elk probleem dat opduikt, lijkt het alsof ze van nul beginnen om het op te lossen.

Vooral zij. F. Bij de twee andere valt het mee, omdat ze mij laten doen. Niet F. F. zegt luid en duidelijk: nee! Telkens je F. voorstelt iets in haar werkwijze te optimaliseren, zegt ze luid en duidelijk: nee! Ik haatte dat de eerste paar weken, nu is mijn haat eerder omgeslagen in verbijstering.

Een voorbeeld. Bij het inladen van producten, heb je altijd een gelijk aantal voor een niveau. Je legt een tussenschot, twee roosters en in die roosters passen steeds een gelijk aantal producten. Als er nog drie open plaatsen zijn, neem je drie producten en vult de roosters. Dan een tussenschot, twee nieuwe roosters, … Je ziet het plaatje. Zij niet. Zij neemt telkens het maximum aantal producten dat ze kan dragen vast, afhankelijk van het product zijn er dat vier of zes, en draait zich dan naar de roosters. Telkens weer. Drie plaatsen open? Of twee? Zij heeft zes producten vast. Gooit de lege plaatsen vol, draait zich om, twijfelt, legt de overige producten terug, zoekt een tussenschot, …

Een ander voorbeeld. Op haar lijn arriveren de producten op een rolband. Daarom is het de eenvoudigste lijn. Wanneer je computerhandelingen moet verrichten, meestal een keer per twintig minuten, kost het je een kleine minuut om alle operaties te volbrengen. Op haar lijn kan je dan de rolband aanzetten en de handelingen verrichten. Op de andere lijnen niet, moet je blijven producten wegzetten terwijl je de operaties uitvoert – dat is overigens waar ik probeer in het spel te komen op alle lijnen, zodat er zo min mogelijk fouten gebeuren tijdens de computeroperaties.

Zij vergeet de rolband. Telkens opnieuw. Ze weet dat wanneer ze de rolband start die na een minuutje opnieuw uitvalt. Dat je dus je lijn niet kan verlaten voor computeroperaties of producttellingen wanneer de rolband al even loopt. Je wacht. Vlak voor je vertrek zet je de rolband aan, doet wat je moet doen, wanneer je terugkomt ligt de rolband vol producten maar dat kan je gemakkelijk inhalen aangezien er geen fouten gebeuren.

Zij vertrekt, de rolband stopt voor ze terug is, opnieuw in positie ziet ze dat door het stoppen van de rolband een tiental producten fout gelabeld zijn, die moet ze dan uitwissen en opnieuw op de lijn laten passeren – dat is waar ik weer optreed, ik wis uit en passeer. Wat zij doet, is zichzelf extra werk op de hals halen en de stress van fout gelabelde producten. En niet leren. Dat is wat me zo verbijstert, het manifeste niet-leren uit fouten.

De consensus lijkt hier te zijn dat ik me boos maak, haar terechtwijs omwille van haar fout. Maar dat doe ik dus niet. Het is namelijk zo dat mijn chef zich boos maakte toen hij het zag en dat ze daardoor meer stress krijgt, minder nadenkt en nog meer fouten maakt. Dat helpt dus niet. Haar op schoolmeestertoon uitleggen waarom ze een fout maakt en hoe ze dat kan oplossen, helpt ook niet. Dan krijg je een non! Ik schat de kans ook klein dat ik een vrouw van dertig jaar op twee maanden tijd kan veranderen.

Dus neem ik werk over. Ik laat haar fouten maken, spring in op het moment dat de fout gemaakt wordt of, indien ik niet beschikbaar ben op dat moment, naderhand om alles recht te zetten.

Dan zeg ik: neem een paar minuten. Ga je computerdingen doen. Doe je tellingen, noteer alles correct. Ik doe de lijn wel. En ik doe de lijn, een paar minuten, tot ze alles heeft uitgevoerd en gecontroleerd, tot ze zeker is dat alles correct is. Als ik pech heb, komt mijn chef voorbij. Die blaft dan dat het mijn taak niet is om de lijn te doen, waarop ik mijn schouders ophaal en zeg dat alles goed verloopt.

Wanneer F. terugkomt, zegt ze bedankt. En dat ik een goede chef ben.

Het is zelfs zo dat F. nu zelf vraagt of ik even de lijn kan doen. Of eigenlijk vraagt ze het niet echt. Ze zegt: doe jij even de lijn. En de andere twee hebben dat overgenomen, dat ze mij zeggen even de lijn te doen. Of de computerdingen. De ene vraagt vooral dat, de computerdingen, de andere twee om de lijn over te nemen terwijl zij de andere operaties uitvoeren.

Dan zeggen ze bedankt. En dat ik een goede chef ben.

Terwijl ik, alles wel beschouwd, in deze groep al lang niet meer de chef ben. Zij zeggen me wat te doen en ik doe het, in dat systeem zijn we vervallen. Het was even zoeken maar de beste manier voor mij om een chef te zijn over drie personen blijkt te zijn dat drie personen chef zijn over mij. Zo gaat alles goed. Nog vier weken en het is gedaan.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Winterslaapuur

Het is twintig voor acht. Het liefst van al zou ik gewoon gaan slapen. Niet enkel omdat ik de afgelopen vijf dagen drie keer de bergen in trok, wat vermoeiend is, evenmin omdat het uur verwinterde, hoewel dat zeker meespeelt, maar hoofdzakelijk omdat ik gewoon ben geworden om vroeg te slapen.

Ooit was dat anders. Als kind scheen ik al weinig te slapen, als tiener nog minder. Als late tiener stond ik viermaal per week om kwart voor vijf op om een ochtendtraining voor de schooluren te doen. Probleemloos. Als student sliep ik zelden meer dan vier uur. Ooit heb ik geëxperimenteerd met hazenslaapjes, gewoon een paar keer per etmaal even de ogen toedoen zonder ooit door te slapen. Na enkele weken ben ik daar mee gestopt, niet uit vermoeidheid maar omdat er ’s nachts gewoon geen hol te beleven viel tijdens blok en examens. Toen ik aan de universiteit werkte, ging ik zelden voor half twee onder de wol en stond ik gewoonlijk om kwart voor zeven op. Ik was een ochtend- en avondmens.

Sinds ik in Frankrijk woon, is het alsof ik alle opgebouwde slaapgebrek moet inhalen. Ik slaap acht, soms zelfs negen uren per nacht. Ik word moe en ga slapen. Vroeger bleef ik dan hangen aan de pc, of tijdens de beperkte periode dat ik een televisie had aan de televisie. Nu lees ik en als dat lezen niet meer lukt, ga ik slapen. Zelden na tien uur ’s avonds.

Morgen werk ik late shift. Het zijn rare shiften, ze hakken er in. De vroege is van 6u30 tot 15u, de late van 15u tot 23u30. Ik rijd ongeveer een half uur en moet tien minuten rekenen voor het omkleden naar en van veiligheidskledij.

De omschakeling valt mij zwaar, zwaarder dan ik gedacht had. Als ik met de vroege sta, geen probleem om te werken maar na het werk zit er nauwelijks nog leven in mij. Met de late is dat tegengesteld: ik heb een drukke voormiddag, ga zelfs lopen of zwemmen, maar hou me nauwelijks wakker in de auto terug.

Morgen ben ik pas na middernacht thuis. Vandaag heb ik om kwart voor acht – ben ik al vijf minuten aan het typen? – moeite om mijn ogen open te houden. Het winteruur hakt er in dit jaar, harder dan andere jaren.

Ik denk dat het Houellebecq was, die ooit schreef dat er op het platteland veel geslapen wordt. Heeft ie vast ergens gejat. Ik zou graag nog iets van hem lezen, om goed bij in slaap te vallen, maar alles wat de bib van hem heeft, is verslonden.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Later, wat ik wil zijn

Alles is kadans. Achter de vliegpleinen door ben ik naar Lourdes gereden, voorbij Lourdes. De zon scheen er. Op de hoogste toppen ligt al wat sneeuw, als poedersuiker uitgestrooid, niet te gulzig. Ik sla links in, links ligt een van de mooiste wegjes van de Pyreneeën.

De Piémont. Voet van het gebergte. De weg begin zachtjes te stijgen, soms in knikjes wat steiler. Alles is kadans. Ik ben lichaam. Benen, ademhaling, zacht wiegen van de schouders. Kadans. Ik snijd de bochten aan, soms binnenkant, de binnenkanten zijn iets steiler dus duw ik iets harder op de pedalen om de kadans niet te verstoren. Zo gaat het kilometers lang.

Achter deze bocht krijg ik een prachtig panorama over Tarbes, over de vliegpleinen. De volgende bocht biedt uitzichten op de valleien in de Piémont. Voorbij de top, je kan het bijna geen top noemen omdat de overgang van zachtjes klimmen naar zachtjes dalen zo geluidloos plaatsvindt, krijg ik zicht op de bergtoppen. Casque de Lhéris, Pic d’Ardiden, Pic du Midi de Bigorre. Nog even kadans.

Een mevrouw rijdt langs. Zij daalt, ik stijg. Ze is een jaar of zestig en zingt. Ze zingt luid, ik hoor het van honderd meter verderop. Ze ziet mij, met mijn kadans, en ik zie haar. Ze heeft fietstassen aan het stuur, achteraan ook. Ze draagt fluorescerende kleren. Ze zingt. Ze beweegt erbij, ze zingt en ze danst op de fiets. Ze ziet me en ze zingt en blijft zingen, ik hoor het nog even als ze me gepasseerd is en ik verder ga, in kadans, en zij, in dans.

Later, zeg ik tijdens de avondwandeling, wil ik dat wij oude mensen zijn die zingen. Ongegeneerd, gewoon vrolijk zingen op straat, ongeacht. Dat wil ik zijn. Een mens die zingt.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Een onderschatte discipline binnen de pedagogie

“En, hoe was het vandaag?”
“Schitterend. Alles in het honderd gelopen en niks door mijn schuld!”

Ik was dus naar een café emploi geweest. Dat is een bijeenkomst van schraapsels van de bodem van de arbeidsmarkt. Je staat met een honderdtal in een te kleine hall rond een koffiemachine, gewapend met CV’s. Op het prikbord in de hall staan fiches van de bedrijven die aanwerven en welke posten beschikbaar zijn. Treurnis. De meeste zijn interimjobs voor een week of zo, soms zelfs maar een paar uurtjes – enkele weken geleden werkte ik na sluitingstijd drie avonduurtjes in de Decathlon vlak bij huis. Het papierwerk duurde even lang als de job zelf.

Uiteindelijk, omdat ik toch ook niet voor niks naar de Arsenal was gefietst, dat is het noordelijk kwartier van Tarbes, schreef ik me in voor twee tafeltjes. Het eerste was voor een callcenter, wat ik op zich een goede grap vond want mensen die mij een beetje kennen weten dat ik aan telefonitis lijd. Dat is een panische angst om telefoongesprekken te voeren, met onbekenden en eigenlijk ook met bekenden. Vroeger moest ik thuis, want de ouders zijn tenslotte zelfstandigen, telefoonpermanentie doen. Dat is een beetje zoals een kind met hoogtevrees wekelijks met een loden kogel aan één voet op een eenwielertje over de balustrade van de Ijzertoren laten rijden – pure liefde. Wanneer de telefoon rinkelde, verstopte ik me soms op het toilet, wat belachelijk was omdat ik alleen thuis was, maar dan kon ik tenminste naar waarheid zeggen dat ik net op het toilet zat, mijn schuldgevoel uit te braken. Mijn vader is namelijk arts, dus dat telefoontje kon even goed op leven en dood zijn.

Afijn. Bij het callcenter zagen ze me zeer hard zitten. Er staan twee berichten op het antwoordapparaat – ik zat op het toilet – maar ik heb via mail laten weten dat ik voorlopig niet beschikbaar ben.

Ik ging namelijk ook bij een slachthuis aan tafel. Ik ben goed in slachthuizen. Het bleek om meer te gaan dan een slachthuis, er stak een volledige vleesverwerkende boîte achter. Vleesverwerking, daar ben ik ook goed in. Ik mocht enkele dagen later op gesprek. Enkele uren later werd dat telefonisch – Lin nam op – zelfs met twee dagen vervroegd. Stront aan de knikker. Die eikels gingen mij nog aanwerven ook.

“Ja, we hebben uw CV bekeken. Waarom zoek je eigenlijk geen werk in je branche?”
“Sociologie is geen branche op de arbeidsmarkt. Strikt genomen is socioloog ook geen beroep.”
“Maar je hebt wel les gegeven.”
“Niet in Frankrijk. Ik heb veel gesolliciteerd maar ik denk dat ze op scholen denken dat ik een beetje stom ben omdat ik niet perfect Frans spreek.”
“Je spreekt heel goed Frans. Duidelijk, verstaanbaar.”

“We hebben iets voor jou, overmorgen beginnen. Het komt er op neer dat je een ploeg aanstuurt. Je hebt toch wat ervaring met management.”
“Nee.”
“Maar goed, je hebt toch mensen leiding …”
“Les gegeven. Ik heb aan mensen les gegeven. Geen leiding. Les.”

(Ik denk: zeg gewoon ja. Zij wil gewoon horen dat je zegt dat je leiding hebt gegeven. Zeg het. Ik heb leiding gegeven. Je moet het niet eens menen. Ze wil gewoon dat je de woorden even uit je mond laat rollen, dat ze de lucht mogen proeven, haar ene oor in en het andere weer uit. Dat het uit je mond is. Dan kunnen we verder, kan je leiding geven.)

Je ne suis pas managèr (zoals zij dat zo schoon zegt) . Ik ben pedagogisch ingesteld, niet leidinggevend.”
“Maar je ziet het wel zitten om een ploegje aan te sturen?”
“Is dat niet gek? Dat ik een ploeg moet aansturen voor een werk dat ik niet ken, dat ik nooit gedaan heb?”
“Je zal wel zien, zo moeilijk is het niet.”

(Ik denk: waarom kan je niet gewoon je bek houden. Twee maanden stelt ze voor. Hoe rot kan het zijn als het maar twee maanden is? Met je argumenten. Met je logica. Alsof het daarom draait op de arbeidsmarkt. Als die logisch was, had je al lang een van die deftige nadenkjobs gehad waarvoor je solliciteerde.)

Dus stuur ik nu een ploegje aan, in de conserverie van het bedrijf. De hele dag komen er blikken leverpaté, doosjes crèmepaté, paté met stukjes foie en andere boel voorbij. Duizenden en duizenden en duizenden. Mijn taak: toezien dat alle info op de doosjes juist is. Dag, nummer van het lot, nummer van de cutter, type product, vervaldatum. Dat klinkt moeilijker dan het is. En ook weer niet.

Daarnaast moet ik voor aanvoer zorgen: er moeten karren zijn om de producten in te laden. De juiste stalen vormen om ze te laden. Er moeten dekseltjes in de conservenmachine zitten. Tussenschotten op voorraad. Methanol om fouten uit te wissen en recht te zetten. Hele paletten materiaal versleur ik. Telkens laarzen door de wasserette. Handschoenen verversen.

Ik moet de lijnen regelen: rolbanden afstellen, wasmachine afstellen, blazers afstellen, printer afstellen. Alles bijregelen als de rommel uitvalt. Ik weet van geen enkele machine hoe hij werkt, heb niet eens een set inbussleutels om zaken bij te stellen, die moet ik telkens bij de mecaniciens gaan schooien. Soms zijn die te vinden. De koffiemachine is in de meeste bedrijven geen slechte gok, maar hier zijn zoveel toestellen randje-defect dat ze altijd ergens aan het sleutelen zijn. Ik maal kilometers.

Ik neem de lijnen over. Iemand is naar het toilet, iemand heeft een fout gemaakt, iemand is het noorden kwijt, iemand kan niet volgen. Ik werk aan de lijn waar ik denk dat ik het meeste nodig ben –

Mag niet. Krijg ik onder mijn voeten. Niet mijn taak. Controleren.

Hoeveel kan er mis gaan met zo’n nummer? Bij elk nieuw lot, gemiddeld om het half uur afhankelijk van de lijn, moet het nummer gevormd worden. De quantième is de dag van het jaar en dus de hele dag dezelfde. Daarna triple nul. Dan productnummer via een scrollmenuutje, dat verandert urenlang niet. Kan je niet fout doen. Bovendien worden de volgende gegevens automatisch gegenereerd, behalve de viré. Die moet je overtikken van een blad, een v gevolgd door vijf cijfers, gewoonlijk een volgnummer, en nog een A of een K als aanduiding voor de cutter.

Wat controleer je? De laatste drie cijfers van de viré en de A of K. Toch? Als ze de eerste keer dag en product juist hebben, is er geen enkele reden om te denken dat ze die de rest van de dag vergeten. Je hebt trouwens geen tijd want je moet kilometers paletten sleuren en staat eigenlijk constant het werk van je ploegje …

Fouten. Er zijn fouten gemaakt. Iemand die zeven keer de quantième juist heeft, om onduidelijke redenen twee keer een dag ernaast zit, daarna opnieuw juist. Iemand die halverwege de set één keer een ander productnummer heeft ingegeven. Niet gezien.

Naar mijn voeten. Want, niet vergeten, ik zit op een SMIC+100, ik verdien per maand bruto honderd euro meer dan het minimumloon en dat is een vrijbrief om op mij te kakken.

“Herman, had jij vrijdag geen zin om te tikken?”
“Jawel, maar ik had nog geen tikkaart. Ik heb daar donderdag om gevraagd maar niemand wist ze zijn. Ik ben vrijdag zelfs voor het werk bij de personeelsdienst geweest om er naar te vragen maar die verwezen me door naar hier. Ze was er niet. Vanmorgen wel.”
“Dat kan niet.”
“Ik heb drie rondleidingen gehad van drie verschillende personen en niemand heeft mij op die tikklok gewezen. Ik heb ze pas gezien toen ik mijn ploeg zag tikken voor de pauze.”

“Herman, weet jij eigenlijk wel wat je taak is?”
“Natuurlijk niet. Ik sta hier nu vier dagen en elke dag krijg een andere uitleg over wat mijn taken zijn.”
“Je moet zorgen dat er geen fouten worden gemaakt.”
“Maar ik weet nauwelijks wat wij hier doen. Ik weet niet welke fouten worden gemaakt, hoe ik ze moet detecteren, laat staan waar ik informatie vind om ze recht te zetten.”
“Moet ik het je opnieuw uitleggen?”
“Je hebt het mij nooit uitgelegd.”

Woensdag. Alles is een ramp. Machines vallen om de haverklap stil. Conserven paté zijn slecht afgesloten door de wasserij gegaan. De hele hall hangt onder de crèmepaté. Drie minuten nadat alles is opgekuist en de machine opnieuw gestart, hangt de hele hall opnieuw onder de crèmepaté. Terwijl ik de boel opkuis, de inbussleutels zoek en vind, de band opnieuw op gang krijg, is een hele lading leverpaté verkeerd gelabeld – k-tje teveel. Ik wis nummers, jaag de lading opnieuw erdoor. Krijg naar mijn voeten. Want ik had de fout sneller moeten zien.

Donderdag kwam. Alle machines lagen stil. In de blessuretijd liet ik me door mijn ploeg uitleggen wat het werk precies is dat we doen. Wanneer we het er niet over eens geraakten, volgde ik de mening van de vrouw met de meeste anciënniteit, twintig jaar, en besliste dat dit voortaan vaste werkwijze werd.

We verbeterden een lading van de avondploeg – oef, mijn ploeg is niet de enige die fouten maakt. We gebruikten liters methanol, mijn longen vonkten na een tijdje. We kregen wollen handschoenen en een bril. Mijn longen vonkten evenzeer. (Twee maanden. Twee maanden. Twee maanden.)

Als alle machines stil liggen, maak ik geen fouten. Ik rolde uit de auto van het lachen. Alles in het honderd, riep ik, en niks mijn fout!

Vrijdag zijn er geen fouten gemaakt onder mijn bewind. Er is namelijk een receptie volgende week omdat het bedrijf tachtig jaar bestaat. We gaan ballonnen oplaten. Gevolgd door een degustatie.
“Wie vandaag een fout maakt, moet donderdag alles degusteren!”

Dreigen is een onderschatte discipline van de pedagogie. Want ik ben eerder pedagogisch.

Geplaatst in Leven | 5 reacties

Rendez-vous maar de maat is vol en m’n kop zit toe

We gingen op de koffie bij de sociale diensten in verband met het kind. Dat is al enkele weken geleden maar ik ben te vadsig geweest om er hier over te schrijven. Grappig was het anders wel.

Het ging om een gemeenschappelijke sessie. Lin had gevraagd of de vader ook verwacht werd, wat een beetje op gelach werd onthaald. “Dan gaat hij wel tussen de vrouwen zitten,” was het antwoord.

Ik had me dus voorbereid op een namiddagje tussen de vrouwen, heerlijk old skool zoals toen ik nog kantoorwerk deed. We reden met de tandem naar de sociale dienst, maakten hem met twee sloten vast aan twee vaste straathoekelementen, gingen naar binnen.

We moesten even wachten. Daarna nog even. Twee vrouwen van de Caisse des Allociations Familiales kwamen binnen en spraken met een man en een vrouw van de Caisse Primaire d’Assurance Maladie. Er kwamen excuses aan te pas. Het ging over een sessie verplaatsen en over Ja maar deze twee – wij stonden er gewoon naast, alsof het niet over ons ging.

We waren de enige twee ingeschrevenen. Een brief was niet rondgepost, een mail niet verstuurd. “Geen probleem,” zeiden wij. “Dan doen we het in een gezellig besloten sessie.” Waarmee we ook maar wilden zeggen dat we niet zoveel zin hadden om op een ander moment terug te komen.

Het werden dus twee privésessies, beide ongeveer anderhalf uur. Het ging over onze rechten en plichten als aanstaande ouders, over geboortepremies en kindergeld en een heleboel zaken waarop we geen uiteindelijk toch geen recht zullen hebben omdat we geen vast werk hebben. Ik denk dat ze dat in de sociologie mattheüseffecten noemen – “Aan zij die hebben, zal gegeven worden.”

Het ging even over onze moeizame zoektocht naar werk. Ik vertelde dat ik een dikke maand geleden bij de CPAM zelf had gesolliciteerd, een bediendefunctie waarvoor geen ervaring vereist was, enkel een masterdiploma. Ik vertelde dat ik nooit antwoord kreeg. “Nochtans,” zo zei ik, “ben ik goed in het organiseren van sessies en het rondsturen van mails en brieven over deze sessies.”

De vrouw vond ons, zo denk ik, een grappig koppel. We stelden rare vragen, zoals: als je geen auto hebt, en ook geen vrienden, hoe kan je dan naar het ziekenhuis als je moet bevallen? Mag je een ambulance bellen? Of een taxi? Of de pompiers? En wordt dat dan door de ziekenkas terugbetaald?

Hoezo geen auto? Ja, het plan was wel dat de auto zowat nu zou ingeleverd worden maar voorlopig gaat dat niet door omdat ik een tijdelijk jobje heb op dertig kilometer van huis, in ploegen bovendien, dus niet te befietsen laat staan te bebussen of te betreinen. Maar dus: geen auto? Ja, dat wisten ze ook even niet. Lin vertelde dat de tandem misschien ook ging als we er op tijd bij zijn, het hospitaal is vlakbij, en dat vond ze blijkbaar een lollig idee.

Ze gaf ons mee dat, in onze situatie, je voor het eerste kind maar drie jaar kindergeld krijgt. “Niet erg,” zo antwoordde ik, “na drie jaar zal dat kind wel op eigen benen kunnen staan, zeker.” Ik vroeg hoeveel tijd ik had om het kind aan te geven op het gemeentehuis, en gaf haar mijn probleem met de naamgeving mee. “Misschien moet je het meerdere namen geven,” zo zei ze, “dan kan je later nog kiezen.”

Ik denk, al bij al, dat ze zich begon thuis te voelen in onze manier van redeneren. Ze vertelde dat iemand – “Hopelijk ikzelf” – van de sociale dienst ons in het hospitaal komt bezoeken vlak na de geboorte en dat die persoon – “Hopelijk ikzelf” – alles dan nog wel eens op een rijtje zou zetten.

Na drie uur gingen onze hoofden een beetje uitzetten, uit het mijne kwam langs gaten en kieren water gelopen. Alles samen hadden we de sociale zekerheid zes kostbare werkuren gekost. Dat kan een beetje goedmaken van alle andere premies die aan onze neus voorbij gaan. Bovendien heeft het kind een gouden toekomst: in welke kribbe het ook ligt, de mevrouw van de sociale dienst komt zeker langs. Met goud, mirre en een stapel in te vullen administratie.

Geplaatst in Leven | 3 reacties

Achteruitkijkspiegel

Kniediep stond ik in het Lac de Gaube. Het water was ijskoud, je kon tegen de bergwand nog stukken sneeuwvlakte zien waaruit het water naar beneden stroomde. De koude trok om mijn voeten. Door het heldere water kon je zien hoe het meer diepte won, niet eens zo ver van de plaats waar ik stond.

George Sand is hier geweest, Victor Hugo ook. Die laatste schreef het verhaal van een koppel dat in dit meer verdronken zou zijn, ergens halverwege de negentiende eeuw. Ik weet niet of deze plek toen een even toeristische trekpleister was als vandaag maar in ieder geval schijnt de herberg hier reeds gestaan te hebben.

Het is een fikse wandeling vanuit Pont d’Espagne, de prachtige brug die enkele kilometers voorbij kuuroord Cauterets aan de waterval ligt. Het was in Cauterets dat de beroemde schrijvers rondhingen, om er in de sulferbaden te gaan liggen. Cauterets moet toen behoorlijk mondain geweest zijn. Ook vandaag is het overigens een grotere stad dan je op die plaats zou verwachten, midden in de bergen.

Dit gaat een tijdje niet meer lukken, denk ik terwijl de koude van het water via mijn bloedbaan door mijn ledematen trekt. Halverwege de zwangerschap lukt het nog net. We kijken naar mensen die via de kabelbaan naar het meer zijn gekomen en op plastieken teenslippers de afdaling aanvatten, in sommige gevallen met enkele aperitieven in de kuiten.

Liefst van al zou ik nog even klimmen, een tentje zetten. Een paar dagen niemand zien, niets horen. Vliegen zoals Nils Holgersson, ergens hoog boven de wereld. Dan zegt ze, we gaan, en we gaan. We stappen naar de auto, rijden van de parking de haarspelden in. Een uurtje later zijn we thuis. De bergen zijn gebleven, ik zie ze in de achteruitkijkspiegel.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Zondagszwemmers

Eigenlijk zou de titel van deze blog Un Belge au bord de l’Echez moeten zijn. Wij wonen namelijk niet aan de Adour, de grote rivier die Tarbes in het oosten kruist, maar aan de kleine Echez, een beek die aan de westkant van Tarbes kronkelt. De Echez is onze dagelijkse uitvalsbasis: we wandelen er in het park of over de campus van de universiteit. In de hete zomer zwemt de hond elke dag in de Echez, achter stokjes die ik zorgvuldig lanceer, tegen de stroming in.

Op zondag trekken we echter naar de Adour. Dat is een wandeling van een kilometer of vier door het stadscentrum. Voorbij de kleine markthal, later ook voorbij de grote markthal, tot aan de plaats waar de rivier op prachtige wijze getemd is. Er zijn aangelegde watervalletjes en achter elk watervalletje een soort zwembadje waar, hoewel zwemmen officieel verboden is, op zondag de zwemmers verzamelen.

Kinderen springen van de rotsen het water is, tieners zelfs vanuit overhangende bomen. Het doet me wat denken aan hoe wij vroeger in het kanaal van Neerpelt zwommen, van de oude spoorwegbrug het water in doken. Met dat verschil dat het water in Neerpelt donker en koel was terwijl het hier helder en fris is.

Langs de Adour is een wandelpad, in het centrum van Tarbes aan beide kanten maar aan de oostkant loopt het door tot Bours, zes kilometer ten noorden, en tot Soues, zes kilometer ten zuiden van de stad. Als het wat afkoelt, in de loop van volgende maand, wil ik daar mijn vaste loopterrein van maken. Op zondagochtend of zo, een paar bruggen lopen en weer terug. Misschien even in de zwembaden springen, als het weer dat toch zou toelaten. Een uurtje joggen langs een van de mooiste plekjes in de stad. Meer vragen zou onbeleefd zijn.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Ik weet wat je deed

Mummy, do cows do sex?

Tigerlily, zes en Lins zelfverklaarde beste vriendin, heeft de afgelopen weken een nieuwe fascinatie ontwikkeld. Wat is dat, seks, vroeg haar moeder. Ze maakte een cirkeltje met duim en wijsvinger en stak daar haar andere wijsvinger in. Dat is seks, mummy.

Koeien doen seks, zei haar moeder. Ze reden met de auto weg van de weide waar Tigerlily de twee koeien had zien kussen. Koeien doen seks, ze krijgen toch ook kleintjes? Daar moest ze even haar kleine hoofd rond krijgen.

Dus, besloot ze, you and daddy, you did sex four times?! Nou, vier keer. Twee broers en twee zussen. Moet je meteen alles willen uitleggen aan een kind? Tigerlily dacht aan andere mensen, en of ze wel of niet seks hadden gedaan. In die mentale opsomming kwam uiteraard ook haar beste vriendin ter sprake. So Lin and Herman didn’t do sex, besloot ze. Zo ver is ze wel, dat Lin en ik geen broer en zus zijn, zelfs al hebben we geen kinderen en is het raar dat mensen getrouwd kunnen zijn zonder kinderen. Een volgende stap had echter ondenkbaar geleken.

Dat denk je misschien, zei de moeder, maar Lin verwacht wel een kindje. Dat vond Tigerlily uitstekend nieuws. Op het feestje knuffelde ze Lin haar buik. Ik weet wat daar in zit, zei ze. Vooral veel vet nu, zei Lin, het kindje is misschien zo groot als een garnaal.

Weer moeilijkheden.

Elise, negen en de oudere zus van Tigerlily, had ook in de auto gezeten. Normaal kleeft ze aan ons als een anti-atoomsticker op het busje van een oude hippie. Op het feestje was ze echter afstandelijk, gereserveerd. Tot ze besloot er toch iets over te zeggen. Ze had haar ogen samengeknepen, bekeek ons met een mengeling van ongeloof, afkeer en teleurstelling.

I know what you did, zei ze. Ze draaide zich om en ging verder spelen met onze hond. Tenminste één iemand waarop het goed vertrouwen is – enkele uren later waren alle pingpongballetjes lek.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Ik fiets even om een broodje

Dertig kilometer fietsen is een hele tijd om na te denken maar soms is het niet genoeg. Dus sloeg ik wat zijwegen in, aan beide zijden van de Adour. Het was warm. Niet te warm om te fietsen, nog niet, maar dat zou het wel kunnen worden. Hoe laat was het eigenlijk? Het kon niet later zijn dan half tien.

Ik rekende. Zo laat boven op Hourquette, zo laat in Arreau. Eten. Dan de Aspin, zo rond een uur of één. Of zou dat te warm worden, zo rond een uur of één.

Als er vragen komen, wijzigen de plannen altijd. Ik maakte een lijstje. Grotendeels dezelfde weg terug als in het heengaan. Dat is een minpunt. De Aspin in de middaghitte, zeker een minpunt. Broodje.

Het broodje was het kantelpunt. Ik ken in Arreau een goede bakker met heerlijke koffiekoeken maar geen goede sandwicherie. Ik had mezelf afgesproken dat ik een broodje zou eten ’s middags. In Luz-Saint-Sauveur is een heel lekkere sandwicherie. Dus.

Trouwens, de Tourmalet is een stuk zwaarder dan Hourquette en Aspin, maar samen is het ongeveer gelijk. Toch? En je moet toch één keer per maand de Tourmalet beklimmen in de korte periode dat hij open is, niet? En beter een zwaardere beklimming nu het nog relatief fris is dan twee lichte waarvan eentje in de middagzon.

Dus ging ik mezelf dingen wijsmaken. Als je op meer dan veertig kilometer uitkomt aan de voet, rijd je Tourmalet. Als die gast voor mij Tourmalet opdraait, rijd je Tourmalet. Of als je die kerel inhaalt voor Sainte-Marie-de-Campan, rijd je Tourmalet. Zolang je kan sjoemelen met de voorwaarden, kan je jezelf alles opleggen. Ook de Tourmalet.

Ik reed geen snelle beklimming want het was de bedoeling dat ik mijn langste rit zou maken. Meer dan 130 kilometer, dan moet je geen zotte dingen doen bergop. Maar er was dat Britse trio. Ze sprintten me voorbij op de eerste flanken, waar het eigenlijk nauwelijks bergop gaat. Ik wist toen al waar ze zouden doodgaan – in de flauwe bochten na de eerste lange galerij, zo vlak voor La Mongie – en ik wilde dat graag meemaken. Ik versnelde een beetje, hield ze in het vizier zo’n anderhalve minuut voor me.

Ze vertraagden. Ik vertraagde. Het meisje loste en ging nog voor de waterval voor de bijl (nog bijna tien kilometer te gaan). In de haarspeld kon ik de tweede horen vloeken. Hij stond bijna stil op de plaats waar Eugène Christophe ooit te voet stond (nog zeven kilometer te gaan). In de galerij raapte ik de laatste op. You’re okay, vroeg ik. Just lowering the pace for a bit, zei hij. A bit? The worst is yet to come. (Nodig mij uit op een feestje.)

We waren nog niet in La Mongie en de grote lol van deze beklimming zat er op. De grote lol is namelijk het sterven van de zwanen. Ik trapte door, maakte wat grappen met de fotografen. Reeds van ver doe ik teken dat ik hun foto’s niet hoef, dat ik ze toch niet koop, maar ze trekken ze toch. Moeten zij weten.

Ik deed mijn truitje dicht, daalde af. Rustig, nergens sneller dan toegelaten, hoewel dat op de Tourmalet gemakkelijk kan want het wegdek is er magnifiek en de wegen bijna bochtenloos. Op wat haarspelden na hoef je de remmen niet aan te raken. Ik at mijn sandwich, dronk geen bier want er is enkel Heineken.

De laatste zeventig kilometer zat de wind vooral in het nadeel. Het werd warm. Ik was blij dat ik niet op de Aspin zat, dat ik niet de grote lol was van een of andere dwalm die niet liever ziet dan mensen die zichzelf overschatten, of een col onderschatten of liefst nog een combinatie van beide. Dat soort mensen, daar moeten wij hier niet van weten.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Wolken voor een blauwe geest

Ze vond dat ik mij er nogal rap vanaf gemaakt had, van dat blogje van onze vakantie. Kan zijn. Laat ik voor deze dan maar wat meer tijd nemen, want het gaat een zware bevalling zijn.

Het ding met ons, en misschien nog meer met Lin dan met mezelf, is dat we zwart-wit zijn. Uitgesproken in alles, moeilijk om te praten, onmogelijke omdenkers. Denken vele mensen. Terwijl we naar ons eigen gevoel wispelturig zijn, onzeker en onwetend, elke dag in verse sneeuw stappen.

Zowat twee jaar geleden beslisten wij als koppel niet langer een kinderwens te hebben. Daar waren twee miskramen aan vooraf gegaan, miskramen die kwamen na tweemaal een weg die ook al niet meteen over rozen liep. De gesprekken van toen kan ik me soms nog woord voor woord voor de geest halen. Veel draaide, in mijn geval, om de vraag of je op deze wereld, in deze samenleving waarin ikzelf met zo weinig enthousiasme meedraai, wel een kind moet willen zetten. Na jaren tobben en twee miskramen luidde het antwoord: nee.

We hadden daar best vrede mee. Kinderen kwamen en gingen in ons leven, of ze bleven omdat het kinderen van familie of vrienden zijn. Nooit leverde ons dat echte emotionele kluwens op – of geldt dat vooral voor mij? Ja, we werden en worden beide horendol van dat hele geniet-ervansfeertje op sociale media, dat rotvervelende genieten-met-de-kids, de ooooh-rozerozerozewolklitanieën. Maar ik denk dat die ergernis los stond en staat van onze eigen kinderwens die we bij het huisvuil hadden gezet.

Tot er dus dat ene koppel kwam, met dat kind. Dat Lin plots voelde: het kan wel normaal, voor zover wat wij normaal willen beschouwen enigszins in de buurt van de sociale norm komt. Gewoon, een leuk koppel met een leuk kind dat op een normale manier met dat kind omging. Dat Lin toen zei: misschien wil ik wel een kind. Wil ik wel nog eens proberen.

Misschien had het ook gewoon niets met dat koppel en dat kind te maken, maar kan je dat gewoon wetenschappelijk verklaren door een hormonenspiegel op drie cijfers na de komma te meten.

Ik wist het allemaal niet.

Gemakkelijker bleek het niet geworden. Het was een beetje zoals bij de comeback van Lance Armstrong: het ging minder eenvoudig dan we gehoopt hadden. Of zou het eigenlijk wel kunnen, zou het niet gewoon zo zijn dat het medisch niet mogelijk is? We wisten het niet. We wisten ook niet waar onze grens lag. We hadden altijd gezegd: geen medische weg. Maar hadden we ook niet ooit gezegd: geen kind?

Er kwamen ook kwade dagen van, die waarvan je ooit beloofd had dat je ze ook samen zou doorstaan. Er was ook zoveel, vaak te veel. We verkochten een huis, waren een dikke maand dakloos, verbleven ver van het huis dat we niet hadden bij ouders, kochten een nieuw huis, gingen daar in alle kamers tegelijk werken.

We maakten plannen, plannen voor de goede dagen die ook weer komen als je maar een beetje volhardt. In die plannen zat nooit een kind. Dat zijn de momenten waarop je op je hoede moet zijn.

Het was de ochtend dat we voor het eerst vrienden in huis hadden, ze kwamen enkele dagen over tussen twee voetbalmatchen van het EK. Ik kwam van de bakker. Naast het bed, op het nachttafeltje, lag een stripje dat ik al twee keer eerder had gezien, met een tweede streepje – altijd als er volk is, zei ze, het kan nooit eens als we gewoon onder ons zijn. (Ik had het streepje ooit gezien op de dag dat we mijn schoonmoeder van de luchthaven haalden, en later in de garage nadat ik, opnieuw, van de bakker kwam met croissants voor de gasten in de chambres d’hôtes.)

We gingen zwijgen, negen maanden. Negen jaar desnoods. Het moest niet onmogelijk zijn om mensen gewoon in te lichten als het ding eenn rijbewijs haalde, we wonen ver genoeg.

Dat is niet gelukt. Ik had het gekund, Lin niet. Ik ga dan ook maar door zowat zeven procent van de emoties waar zij door gaat.

We waren in het ziekenhuis vanochtend, voor de echo van twaalf weken. Dat is een soort veiligheidszone, een fietspad afgesloten van de drukke rijbaan door een grasperkje met bomen. Er kan nog vanalles gebeuren maar de echt gevaarlijke kruispunten zijn achter de rug. Zeggen ze.

We keken naar het ding. Het was gegroeid, dubbel zo groot als de vorige keer. We zagen voeten en armen. In dat waterhoofdachtige hoofdje bleken hersenen te groeien – het lijkt ook een beetje op mij. Het hart klopte, zoals mijn hart klopt in de laatste kilometer van de beklimming van de Tourmalet. Er was een ruggengraat, een maag. Het geslacht was nog te vroeg, zei de dokter.

Het ding zwom. Dat is een goed teken, zei ik, dat het ding zwom. Waarschijnlijk de vier maal tweehonderd crawl, alleen, bij gebrek aan medezwemmers.

Dat moest er uit. Lin zette iets op facebook, daar komen dan honderdenzoveel reacties op. Pure prostitutie, zei ik. (En dat ik haar zou terugpakken op mijn blog.)

Ik ga daar heel eerlijk in zijn: de laatste twaalf weken zijn niet de gemakkelijkste uit mijn leven geweest, en ook niet de gemakkelijkste uit mijn huwelijk. Er is geen roze wolk in huis. Er is de angst, angst uit onwetendheid en de ergere variant uit ervaring. De angst werd groter na de eerste echo, toen iets leefde, nog groter na de tweede echo, toen dat iets een enorme waterkop leek te hebben – enorm dan voor een boontje van een dikke twee centimeter – en je aan jezelf moet toegeven dat het iets gewoon een mensje in de dop is.

Angst ook om iets te zeggen. Vorige keren waren we te vroeg geweest, moesten we dingen weer terugnemen, in een geval zelfs de dag zelf, toen mijn ouders net aankwamen na een lange en gelukkige autorit. We waren te vroeg omdat we het ook zo belachelijk vonden en vinden, het liegen – want dat is wat het is, wanneer je negatief antwoordt op een vraag die je positief zou moeten beantwoorden.

Deze keer hebben we wel gelogen, even toch, een paar keer. Tot we het niet meer uithielden en we er gewoon bij zegden: maar je kent onze geschiedenis. Het is te vroeg.

Naast de angst was er ook het fysieke ongemak. Niet bij mij, uiteraard niet, maar het straalde uit. Dat Lin tegen me zei: ik vind het gewoon niet leuk, dat hele zwanger zijn. Dat het zo erg was dat zelfs de grapjes niet meer konden.

Dat je daar ook te weinig bij stilstaat, dat de kwade dagen soms gewoon de dagen zijn waarvan iedereen je voorspiegelt dat het de goede zijn. En dat ook op die dagen je enkel bij elkaar terecht kan, hoezeer je misschien ook nood hebt om even niet bij elkaar te zijn.

En dat nog zeven maanden. Zeven ja, want Lin telde altijd tien maanden zwangerschap. Dat ik zei, waarom doe je het niet gewoon op negen, zoals al die andere? Maar is er dan iets wat wij doen zoals al die andere?

Zeven maanden zullen wij dus met ons hart in onze handen lopen, bang om alles te breken. Dan is er misschien het ding, zal het een geslacht hebben. Een naam.

Nou, nee. Die naam. Nog zoiets. Je kan een mens toch geen naam geven zonder hem te kennen? Misschien geef je gewoon de verkeerde naam, gaat die mens een heel leven moeten vechten tegen die naam.

Nee, niet de naam. Ook daar wachten we even mee, tot aan het rijbewijs.

Geplaatst in Leven | 9 reacties

Op vierdaagse

– Ik heb beslist, zei ze. We vertrekken morgen.

Ik was net thuis van het werk, onze missie in de supermarkt zat er op. De ploegbazen hadden nog een biertje betaald en toen waren we vertrokken. Ik wilde mijn T-shirt uitwringen, het zweet van me afdouchen en gewoon in de zetel gaan liggen. Dat is ook wat ik deed. Zij legde dingen klaar.

Een groot plan was er niet. Gewoon een paar dagen weg, met de auto richting Spanje. De hond moest mee, dat ging niet anders, er was geen opvang. We vertrokken zaterdagochtend. Ik laadde tassen in, een matras, dekens. Op het laatste moment nam ik ook een fototoestel mee. Enkele uren later, op een brug in Hendaye, in de buurt van het huis waar Pierre Loti – een Franse zeevaarder over wie ik enkele boeken las – zijn laatste adem uitblies, bleek dat ook het fototoestel zonder lucht zat. Pech, er zijn geen gepixelariseerde herinneringen aan onze reis. Uit ervaring weet ik dat een reis zonder foto’s in herinneringen echter enkel mooier wordt.

De stranden in de buurt van Saint-Jean-de-Luz waren overvol. Bovendien waren honden niet toegelaten. We beperkten ons tot wat wandelen, een hapje eten, ik plonsde toch even de zee in maar keerde op mijn stappen terug omdat ik zelfs door branding en joelende kinderen heen de hond hoorde jammeren.

We reden richting Spanje, de Jaizkibel op. Bijna op de top maakten we kamp voor de nacht, aten een picknick en keken naar de ondergaande zon boven de oceaan en de reflecties op de bergkammen. Beneden lichtte de baai van Hendaye op, boven werd het fris. We sliepen in de auto, op de matras in de koffer. De hond sliep vooraan op de passagierszetel.

Bij het krieken wandelde ik met de hond verder de Jaizkibel op, helemaal tot aan de ruïnes van de castillo, waar paarden stonden te grazen. Ik passeerde de grafmonumenten van de oude schaapherders van de Jaizkibel en probeerde de hond tussen de kudden te leiden zonder ze in beweging te brengen. Beneden zag ik de baai van San Sebastian, onze bestemming voor deze zondag.

In San Sebastian, de stad waar ik ga wonen als ik rijk ben, is altijd iets te beleven. Vorige keer was dat het filmfestival, deze keer het wereldkampioenschap voor eenwielers. Terwijl ik de golven trotseerde, gingen de renners van start voor de marathon. Ik droogde op in de zon op de dijk en zag de eenwielers passeren. Sommige gingen bijzonder snel, andere pakten het voorzichtiger aan. Het lijkt me zo’n typisch gezellig besloten milieu, dacht ik, tot ik een Amerikaan een onvoorzichte autobestuurder de hel hoorde toewensen. Geen enkel besloten milieu is echt gezellig, denk ik.

Aangezien ook in San Sebastian de hond niet op het strand mocht, reden we voort richting Pamplona. De stad was broeierig, mensen hingen rond zoals mensen in het Baskenland altijd lijken rond te hangen: zich lavend aan pintxos en bier aan de vele barretjes in de stad. We stonken. De openbare douches waren echter gesloten. We hielden siësta in de auto, in de schaduw op een parking. Ik las verder in mijn boek – Les Bienveillants van Jonathan Littell.

In de vooravond kwamen we weer buiten. We zouden pintxos gaan eten. De juffrouw van de Dienst Toerisme had twee straten aangeraden waar de barretjes goedkoper waren. Op deze twee straten zaten enkel wat jongeren wiet te roken en bier te drinken. De pintxos zagen er verlept uit. In de dure straten waren de pintxos overigens ook weer niet zo duur. Lin was een beetje verbaasd door het advies van de juffrouw.

– Wat wil je, had ik gezegd. Je hebt gezegd dat we een parking zoeken omdat we in de auto slapen. Toen ze webadressen gaf, zei je dat we geen computer of tablet hebben en toen ze naar de wifi verwees dat we geen smartphone hebben.

Pamplona bleek een leuke stad, minder leuk dan San Sebastian en niet leuk genoeg om te dromen er ooit te gaan wonen, maar leuk zonder meer.

Lin wilde nog een laatste dag om gewoon te luieren dus namen we een camping vlak voor de Franse grens, aan de Compostelaroute. We zwommen in het koude zwembad, aten een menuutje, lazen nog wat, wandelden in de bossen.

(Ja, echt spectaculair zijn ze niet, onze vakanties. En we hebben niet eens fotomateriaal om het tegendeel te doen geloven. Maar San Sebastian en de Jaizkibel, dat is echt mooi. Daar moet je echt eens naartoe.)

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Lost in the supermarket

Ik had nog nooit in een supermarkt gewerkt. Nu wel. Niet voor een supermarkt, wel in. Ik werk voor een interimkantoor dat mij uitzendt naar een bedrijf dat mij uitzendt naar een hypermarkt in de buurt. Zo gaat dat. Er zijn twaalfendertig managers nodig om vier à zeven mensen aan het werk te zetten.

Vier à zeven, ja. We zijn begonnen met zeven. Na de eerste dag werden twee mensen bedankt voor bewezen diensten. Dat is een beleefde manier om te zeggen dat ze onvoldoende gepresteerd hebben om hun minimumloon te verantwoorden. Goed ja, hun minimumloon en de twaalfendertig andere stukjes koek die aan dat minimumloon blijven kleven. In ieder geval: niet bedankt, dus. En diensten werden ook als niet bewezen ingeschat, vermoed ik. Een paar dagen later volgde een derde die ook niet meer hoeft terug te komen. Ik vrees overigens nog voor een vierde, maar morgen zullen wel vervangers komen.

Wat wij doen, is niet geweldig moeilijk maar je moet er dat getergde hoofd een beetje bijhouden. We vervangen etiketten. Dat gaat als volgt: we verwijderen alle oude etiketten. Die zetten we voor de producten want ze moeten wel op elk moment zichtbaar blijven voor de klanten – ja, we werken tijdens de winkeluren. Dan zetten we nieuwe rails op de rekken. Op die rails zetten we etiketten: elektronische vervangen we door nieuwe elektronische, promo-etiketten krijgen een nieuwe drager in de nieuwe rail. Als elk etiket vervangen is, gaan we met een zappertje door de rekken en scannen elk product. Als we de zapper dan naar het computerlokaal brengen, heeft in het beste geval elk product een prijsbepaling op het nieuwe etiket. (Het beste geval bestaat niet, er moeten altijd wat rechtzettingen gebeuren. Dat is niet erg. Fouten maken mag. Maar niet teveel, want dan word je bedankt voor bewezen diensten.) Ten slotte verwijderen we de oude etiketten, sorteren de hele boel en gaan naar het volgende rek.

Het is best leuk werk, voor de paar weken dat het zal duren. Ik werk met Mehdi, een jongen die net van school is. We werken goed samen. We beginnen elk in een hoek en werken naar elkaar toe. We zetten elkaars fouten recht. Goede ploeg, zeggen de twee ploegbazen.

Ook de werkinhoud gaat erop vooruit: op dag één stond ik bij dierenvoeding en later bij vis in blik. Dag twee ging op aan babyvoeding en klaargemaakte maaltijden in de frigo – er zijn meer variëteiten dierenvoeding dan babyvoeding en meer variëteiten babyvoeding dan klaargemaakte maaltijden. Dag drie gingen we van brood naar frisdrank naar wijn. De week eindigde met de rekken sterke drank. Het kan alleen maar beter gaan.

Je werkt, zoals vaak, in cirkeltjes: telkens dezelfde taken in dezelfde volgorde. Ik denk dat we dat in de sociologie onder taylorisme zouden rangschikken. Beter dan fordisme, fordisme is saaier en van saaier worden de werkuren taaier en moeilijker te verteren.

Ik geraak wel eens in een taylor’s high, een variant van de runner’s high. Dat je gewoon je taken doet en de wereld rondom je vergeet. Je zou het een vorm van actieve meditatie kunnen noemen, als je dat wil, maar ik weet niet of je dat nu echt moet willen. Etiketten verwijderen, rails ordenen, rails vastschroeven, etiketten plaatsen, zappen, etiketten opruimen. Fijne dagbesteding, ik zou het best wat langer willen doen.

De overuren gaan beter betaald worden. Dat heb ik nog niet vaak meegemaakt, dat overuren beter betaald worden. Hetzelfde wel, of slechter, of niet: dat wel. In de landbouw was niet eerste keuze. Nu ze beter betaald zijn, zit niemand in met overuren. Vrijdag deed iedereen er met de glimlach twee. (Iedereen, dat zijn degene die nog overblijven na de slachting.)

Uiteraard is het niet de bedoeling om in dit ondercircuit van de betaalde arbeid te blijven hangen, dan hadden we ook in de Gers kunnen blijven. Maar het is nu eenmaal nodig om even aan de slag te zijn, in de wachtkamer van de trein naar betere tijden. Intussen is het gewoon weer een extra vinkje op de lijst voor de competitie van de meest gevarieerde CV.

Geplaatst in Leven | 2 reacties

Sacochenhondenmevrouwen

Je hebt zo van die vrouwen die op een bepaalde manier hun sacoche vasthouden. Vastklemmen zou vaak een beter woord zijn. Ze duwen de sacoche tegen hun maag, met de ellebogen strak naar buiten, op een manier die zo hard smeekt om de sacoche niet te trekken dat je bijna zin krijgt om ze te trekken.

Op dezelfde manier nemen sommige mensen, ook weer vooral vrouwen – van middelbare leeftijd overigens, dat is ook statistisch aantoonbaar – hun hond vast. Hondje, meestal. Het gaat meestal om kleine hondjes.

Wanneer ik met de hond in het park ga spelen, kom ik ze weleens tegen. Meestal is Rein enkel in haar balletje geïnteresseerd, moet ik gewoon even tussen mijn tanden fluiten en het balletje tonen en legt ze haar aandacht honderd procent bij mij, of toch bij dat balletje. Soms is Rein echter ook in een sociale bui, en met soms bedoel ik hier meestal, en gaat ze andere honden groeten.

Je ziet meteen welke mensen dat okee vinden en welke niet. Degene met de sacochenhouding, die vinden het niet okee. Ik vind het raar dat mensen angst hebben voor Rein, ze ziet er allesbehalve agressief uit, maar goed. Je kan de angst voor honden ruiken, tientallen meters ver, en als je neus verstopt zit dan zie je hem. De angst, bedoel ik, de hele houding straalt zuivere angst uit.

Elle n’est pas méchante, roep ik dan.

Die zin heeft meerdere functies. In de eerste plaats laat ik weten dat onze hond een teefje is, geen reu. Dat stelt sommige mensen gerust – sacoche los. Ik laat ook weten dat onze hond geen kwade bedoelingen heeft, maar dat heeft weinig effect op de sacochenhondenvrouwen. Dat is een beetje zoals een Marokkaan die roept dat hij niet gevaarlijk is: mensen die denken dat alle Marokkanen gevaarlijk zijn, ga je enkel bevestigen in dat idee door te roepen dat het niet zo is. (Mensen die denken dat alle Marokkanen gevaarlijk zijn, zijn idioten. Maar de huidige berichtgeving suggereert dat de idioten aan het winnen zijn.)

De belangrijkste functie is echter naar Rein toe: door dit zinnetje te roepen, weet Rein dat ze niet naar de hond mag. Het heeft wat tijd gekost maar nu lijkt ze het ook echt door te hebben. Mijn zinnetje kondigt aan dat er bij die hond weinig fun valt te rapen. Het heeft tijd gekost, en vooral ook wat ervaring, maar Rein begint mij op mijn woord te geloven.

Ze heeft het natuurlijk moeten ondervinden, dat de honden van sacochenhondenvrouwen gewoonlijk zo asociaal zijn dat er niet valt te snuffelen, af te tasten, wat rondjes te draaien en al zeker niet tien minuten achter elkaar rennen op het veld, met verlies van de speelbal waarvoor ik altijd het halve middenplein van het park moet afkammen.

In die zin kan ik mezelf niet op de borst kloppen dat ik onze hond geleerd heb om niet naar sommige honden toe te gaan. Het is de hond die zichzelf gesocialiseerd heeft, zoals het meestal de hond is die zichzelf dingen aanleert en wij die gewoon volgen. Mijn naam is net om die reden Roept z’is, omdat we merkten dat telkens als Lin Roept z’is riep de hond naar mij kwam en het gemakkelijker is om die naam gewoon te behouden dan een nieuw commando aan te leren.

De sacochenhondenmevrouw deze ochtend probeerde zich achter de vuilbak te verbergen met haar hondje. Elle n’est pas méchante, riep ik, en het leek of de vuilbak groter werd of de mevrouw achter de vuilbak zich kleiner maakte. Rein, die halverwege de mevrouw was, keerde op haar stappen terug. Ze pakte het speelballetje waar ze het had achtergelaten en legde het tussen mijn voeten. Ik gooide over het plein, ze trok een sprintje. Ik denk dat de sacochenhondenmevrouw hetzelfde deed in de andere richting. Weg was ze.

Geplaatst in Leven | 8 reacties